*

 
dossier

Archief

Calvijn en de angst voor de kennis/Auke Jelsma's afscheidsrede over de kerkhervormer en zijn zielenslaap

Van onze kerkredactie − 12/09/98, 00:00

KAMPEN - De kerkhervormer Johannes Calvijn was één van de intelligentste denkers van zijn tijd. Tegelijk was hij bang voor de vooruitgang van de wetenschap. Want overal om zich heen zag hij hoe meer kennis leidde tot minder vrees voor God en zijn oordeel. Daarom paste Calvijn zijn visie altijd strict binnen de grenzen van de Bijbel. Maar zo deed hij zijn gedachten onvermijdelijk op slot.

In zijn afscheidsrede als hoogleraar kerkgeschiedenis in Kampen ging Auke Jelsma gisteren op zoek naar de ziel van Calvijn, om uit te komen bij een man die “zijn ziel klem zette”. Op zijn sterfbed smeekte Calvijn zijn collega's “niets te veranderen en niets te vernieuwen, omdat alle veranderingen gevaarlijk en soms schadelijk zijn”. Hij benadrukte dat hij geen enkele passage van de Heilige Schrift ooit naar eigen inzicht had verdraaid: “Als ik me toch eens liet verleiden tot subtiliteiten, dan heb ik dat onmiddellijk onderdrukt en me altijd beijverd simpel te blijven.”

Bij dezelfde gelegenheid moest Calvijn erkennen dat er meer mensen waren die hem hadden gevreesd dan hem hadden liefgehad. “Meer nog dan hij beseft zal hebben”, zei Jelsma, bestaat er een verband tussen het een en het ander: “Hij vervreemdde mensen van zich die op zijn vriendschap en intelligentie gerekend hadden, medestanders legde hij hetzelfde juk op als zichzelf. Biblicisme en dogmatisme werpen onnodig barrières op tussen mensen.”

Jelsma had Calvijn tot onderwerp van zijn laatste college aan de Theologische universiteit gekozen, omdat deze aartsvader van de gereformeerde kerken er bij hem tot nog toe bekaaid was afgekomen. Jelsma schetste het beeld van de reformator aan de hand van diens opvattingen over de ziel. Want de vraag die Calvijn bovenal bezighield was wat er na zijn leven zou gebeuren met zijn ziel. Wat niet zo gek is voor iemand die zo duidelijk een banneling op aarde was, aldus Jelsma: “Ik ken geen beter voorbeeld van een mens wiens innerlijk zo volledig met zijn uiterlijke omstandigheden overeenstemde. Goed in zijn vel heeft hij nooit gezeten.”

Calvijn heeft veel en fel geschreven over de zielenslaap. In de vijftiende eeuw stond de positie van de ziel stevig ter discussie. Door anatomisch onderzoek ging men anders over de ziel denken. Zijn bestaan werd niet ontkend, maar dat zijn plaats in het lichaam niet werd gevonden beïnvloedde wel de gedachten over voortleven na de dood. Zo ontstond de leer van de zielenslaap, die ook aanhangers had onder de hervormingsgezinde christenen. Als het lichaam stierf, kwam de ziel tot rust, tot bij de lichamelijke opstanding aan het einde de tijden. Luther kwam de zielenslaap van pas in de strijd tegen de aflaathandel. Als de ziel niet zelfstandig voortleefde hoefde er immers geen angst voor het vagevuur te zijn.

Calvijn daarentegen meende dat de leer van de zielenslaap mensen onverschilliger en materialistischer zou maken, en hun angst voor het oordeel verminderen zou. Hij was beducht voor radicalisering van de reformatorische beweging en verval van de moraal. “Mensen horen niet goed in hun vel te zitten. Als wij alleen voor dit leven onze hoop op God gesteld hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen.”

Calvijn nam onder meer fel stelling tegen de medici: 'Ja, zij gaan zelfs zo ver te beweren dat alle godsdiensten menselijke verzinsels zijn. (...) De hoop op het eeuwige leven zou alleen verzonnen zijn om simpele zielen met zoete woorden te paaien. De vrees voor het eeuwige oordeel functioneert volgens hen als de boeman voor kinderen'.

Voor Calvijn was de ziel het goddelijke, het onsterfelijke in de mens. Elke aantasting daarvan zou leiden tot verlies van religieus gevoel, tot syncretisme en uiteindelijk tot atheïsme. Vandaar dat Calvijn zo gebeten was op de medische wetenschap, destijds de meest gedurfde studie.

mailIcon print |