Bron o.m.: De Lutheranen in Nederland, door dr. C. Ch. G. Visscher.
De kleinste kerk in het trio van hervormden, gereformeerden en lutheranen was vanaf het begin een Calimero, van 'zij zijn groot en ik is klein en 't is nie eerlijk'. Duitse migranten, deels voor de Spaanse koning Philips II gevlucht uit Antwerpen, verder Deense kooplieden, Noorse houthandelaren: het waren schamele, losse groepjes, die in de loop van de 16de eeuw vooral in Nederlandse havenplaatsen neerstreken. Ze brachten hun lutherdom mee, met Luthers taal, Augsburgse belijdenis, diens meer katholieke kijk op Avondmaal en uitverkiezing.
Vier eeuwen later, als die eigen taal, bijbel, theologie goeddeels zijn verdwenen is het moeilijker uit te leggen waar die lutherse identiteit nu precies nog in zit. De gereformeerden, die kersvers in Amsterdam de macht hadden gegrepen, voelden niets voor het officieel toelaten van nieuwe geloofsvariëteiten. Een schuilkerk, zoals roomsen, doopsgezinden en remonstranten, vormden de lutheranen niet, maar hun erediensten werden toch verboden, dan weer toegestaan; hun predikanten werden soms gedoogd, dan weer met zachte hand de stad uitgezet; zonder permissie gebouwde kerken werden neergehaald. De gereformeerden namen zo wraak voor de manier waarop Hollandse calvinisten werden behandeld door het lutherse stadsbestuur in Hamburg. Het ideaal bleef immers: één staat, één godsdienst.
Vanaf het begin was Amsterdam het Jeruzalem, Rome, Genève ineen voor de Nederlandse lutheranen. Geen predikant waar dan ook in de diaspora kon aan het werk zonder de zegen van het Amsterdamse consistorie. Maar dat was op het bestuurlijke vlak, voor de theologie en de ambtsopleiding zou men nog eeuwen de wijsheid uit het oosten verwachten. Een lutherse predikant moest zijn echte vorming in Duitsland halen. Inmiddels heeft het luthers seminarium in Amsterdam al een eerbiedwaardige traditie en een indrukwekkende bibliotheek, maar de kerk heeft langer zonder dan mét dit eigen seminarium geleefd.
Amsterdam was altijd de grootste en rijkste gemeente, met haar voorname kerken aan het Spui en het Singel. Elders waren er kleine en ook niet altijd levensvatbare gemeenten. In Rotterdam was aanvankelijk sprake van een “kleijn, benaeuwd en pericliterend (bedreigd) hoopken”. Van de stroom nieuwe migranten profiteerde de lutherse kerk van Maastricht tot Groningen; ze groeide voorspoedig, maar toen er rond 1900 bijna honderdduizend lutheranen waren was hun groei toch al aan het achterblijven bij de bevolkingsgroei in het algemeen.
De bejegening door de dominante protestantse kerk van de lutheranen bleef dubbelzinnig en opportunistisch. Lutheranen werden soms gezien als bondgenoot tegen papen en arminianen, maar ze waren ook concurrenten op de charimarkt: elke cent die lutheranen ophaalden voor hun diakonie kwam immers niet in de gulle zakken van de gereformeerden. Ze hielden de lutheranen kort, maar als de Denen voor de ossenmarkt naar Enkhuizen kwamen, werden met het oog op de handel de teugels weer gevierd.
De lutherse kerk in Nederland heeft een allochtone oorsprong, waarvan de sporen tot in de vorige eeuw zichtbaar waren. Maar ze heeft al gauw geprobeerd Nederlands te worden. Toch zou het nog tot Napoleon duren voordat overheidsbanen ook vergeven werden aan lutheranen en andere niet-gereformeerden, voordien een uitzondering, zoals in Utrecht, waar ze een tijdlang al eens een stadsbeul in dienst hadden, die de lutherse leer aanhing. De echte emancipatie van het lutherse volksdeel kreeg pas gestalte in mensen als de jurist J. M. Kemper, die aan de basis stond van de staatsordening van 1815 en meer nog van de vader van de grondwet van 1848, de liberale staatsman en lutheraan J. R. Thorbecke. In de jaren zeventig van deze eeuw, toen de lutherse kerk absoluut en relatief al zwaar terugliep, leverde het kleine kerkje niemand minder dan 's lands 'onderkoning', vice-president van de Raad van State M. Ruppert, een exponent van het christelijk-sociale lutherse gedachtengoed, maar dan wel heel anders dan de man die in de vorige eeuw zo sociaal bewogen was dat hij zijn predikantschap en zijn lutherse geloof radicaal overboord zette: Ferdinand Domela Nieuwenhuis. En ook weer heel anders dan indertijd de lutherse diakonessen, die een veel grotere bijdrage aan de ontwikkeling van de Nederlandse ziekenzorg hebben geleverd dan de omvang van het kerkgenootschap zou doen vermoeden.
De Nederlandse lutheranen mogen dan aan hun calvinistische landgenoten weinig vreugde hebben beleefd, één ding hebben ze goed van hen afgekeken: ruzie maken. Al gauw waren er spanningen tussen gematigde en heftige lutheranen, later ontbrandt de strijd tussen Wittenbergers en Hoppeanen: ging het om de richting, de stiptheid, de macht? Er tekende zich een piëtistische en een verlichte, rationalistische stroming af. Ja, de lutherse kandidaat-dominee H. F. Kohlbrugge keerde zijn kerk de rug toe, omdat lutheranen zijn visie op de volslagen ellende van de mens niet delen; hij zou de geestelijke vader worden van afgescheiden gereformeerden en orthodoxe hervormden.
De richtingenstrijd van bevindelijken, modernisten, ethici, rechtzinnigen kennen we van de grote protestantse kerk, maar ze vindt haar pendant ook onder de lutheranen, met een knus, oer-Hollands resultaat: kerksplitsing. In 1791, een eeuw voordat Abraham Kuyper dit voorbeeld zal volgen, scheidt een minderheid van kleine luyden ('suikerbakkers', 'metselaarsmoffen'), oranje-gezinde lutheranen zich af van de patriottische meerderheid, waar de geest van verlichting, rationalisme en weldra ook modernisme en bijbelkritiek waait. De 'Hersteld Lutherse kerk': terug naar Luther, terug naar de Augsburgse belijdenis. De scheiding duurt tot 1952.
Dan zijn we een oorlog verder en tekent zich al de ingrijpende crisis in het kerkelijk leven af, die kerken vanuit hun cocons en kleine strijdpunten naar elkaar drijft. De oecumene komt op; samenwerken wordt een schoon ideaal en bittere noodzaak.
Lutheranen zijn Samen-op-Weg, haar commissies en vergaderingen zat. Met een handjevol mensen moeten ze het doen. Moeten ze, letterlijk. De gereformeerde synode-praeses R. Vissinga constateerde terecht: ze hebben geen keus. Het zal lutheranen in de oren klinken als eeuwenoud leedvermaak: wat willen die Moffen en Knoeten nou? Knoet is moe, niet sinds vorige maand de hervormden vergaten hem in te lichten over de voorgenomen opheffing van de Amsterdamse theologie, maar vanaf het moment dat hij bij gebrek aan beter bij SoW aan tafel schoof. Nooit hadden de lutheranen bij Samen-op-Weg het gevoel van de muis die tegen de olifant zei: wat stampen we lekker. Voortdurend hijgden ze achter de feiten aan, zoals toen een monumentale lutherse kerk op papier al aan de gereformeerde bonders was vergeven, terwijl de lutheranen nog dubden wat ze met het gebouw aanzouden. “Wij willen niet het vulsel zijn in de holle kiezen van de SoW-partners,” zo hebben ze de afgelopen jaren verzucht.
Wat is na vier eeuwen nog de lutherse identiteit, het eigene? De liturgie? Menig hervormd predikant kan wedijveren in hoogkerkelijkheid met lutherse collega's; de president van de lutherse synode heet dan wel de 'herder der herders' en een 'episkoop' voor zijn hele kerk, een echte bisschop hebben ze hem in Nederland nooit willen of durven noemen, zodat ook deze figuur geruisloos kan verdwijnen. En het luthers seminarium kan best een Bibliotheca Augustana worden, als eigen collectie in de VU-bibliotheek bijvoorbeeld, met een bijzonder hoogleraar Lutherkunde als directeur en een enkele liefhebber als student.
Misschien blijft er straks alleen iets over als een Vereniging voor lutherse muziek. De lutherse muziekweken elke zomer zijn altijd overtekend, met veel enthousiaste niet-lutherse belangstelling
De rijke lutherse muziekcultuur koesteren: dat is meer doen dan holle kiezen van calvinisten vullen en meer uitstralen dan enig 'benaeuwd en pericliterend hoopken'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.