Van een medewerkster GENEVE - Nederland trekt 1,8 miljoen gulden uit voor het tegengaan van kinderarbeid in Senegal. Het ministerie van ontwikkelingssamenwerking besteedt het geld in de loop van drie jaar via een onderdeel van de internationale arbeidsorganisatie ILO, dat landen helpt de omstandigheden van werkende kinderen te verbeteren.
Arbeid is in Senegal, net als elders in Afrika, van oudsher de manier waarop kinderen in de volwassen gemeenschap worden opgenomen. Hoewel deze traditionele kennisoverdracht nog niet helemaal is verdwenen, lijkt het werk van de kinderen in Senegal tegenwoordig meer op uitbuiting dan op opvoeding.
Kinderarbeid is vooral een kwestie van overleven. Vanaf de jaren zeventig dreven droogte en economische crisis steeds meer mensen naar de stad: bijna 40 procent van de Senegalese bevolking woont in de hoofdstad Dakar en enkele andere steden.
Vooral de allerarmsten zijn zwaar getroffen door de recessie en de daling van de overheidsuitgaven aan onderwijs en gezondheidszorg. De scholingsgraad is laag. Recent onderzoek van de ILO toont aan dat slechts 45 procent van de kinderen tussen zes en twaalf jaar op een basisschool is ingeschreven. Vooral meisjes krijgen weinig onderwijs. Bovendien heeft het op koloniale leest geschoeide onderwijs weinig te bieden. Het leidt op tot een loopbaan bij de overheid, maar dat soort functies is er niet meer. Bovendien wordt nog steeds in het Frans gedoceerd, wat een ernstig obstakel is voor kinderen die alleen een lokale taal spreken.
Dertig procent van de kinderen blijkt economisch actief. “Dan gaat het niet om een handje helpen, maar om zoveel werkuren dat er geen tijd voor onderwijs is”, zegt Frans Röselaers, tot voor kort directeur van het ILO-kantoor in Dakar, nu hoofd van het kabinet van de directeur-generaal van de ILO in Genève. “Van de kinderen van zes tot negen jaar werkt maar liefst een derde. Meisjes van zes werken als dienstbode, dat is net zo oud als mijn dochtertje!”
Het leeuwendeel van de kinderen werkt in de informele sector, meestal in familieverband en op het platteland. Daardoor is het vaak lastig duidelijk onderscheid te maken tussen 'normale' hulp en uitbuiting. In het Westen associeert men kinderarbeid vaak met onderbetaalde kinderen in de exportsector, zoals in Pakistan. Maar net als elders in Afrika werken kinderen in Senegal vooral in de landbouw. In de stad geldt het traditionele 'gezellensysteem' vaak als dekmantel voor regelrechte uitbuiting van jongens. Ze hebben zelden een contract, net zo min als de meisjes die vooral werken als mbindaan, dienstjes voor wie dagen van vijftien uur niet ongewoon zijn. Ze worden steeds jonger. Want hoe jonger, des te goedkoper en docieler. Daarnaast zie je in de straten van Dakar veel Boudiouman, kleine kinderen die in het afval wroeten. Ze werken voor lompenhandelaren die de recyclebare materialen doorverkopen.
Langs de spoorlijnen zwerven de Fakha-man, kinderen die het contact met hun familie verbroken hebben, en met losse klussen hun kostje verdienen. Bedelen is het werk van de talibés, leerlingen van islamitische geestelijken. In ruil voor onderwijs zamelden ze vroeger de verplichte aalmoezen voor hun meesters in. Dat gebruik raakte zo geperverteerd, dat kinderen alleen maar bedelen en er van onderwijs niets meer komt. Unicef werkte met succes aan een programma dat de positie van deze groep iets verbetert.
De bijval die het Unicef-project kreeg, stemt Marisia Pechaszek, eerste secretaris en expert 'Vrouwen en ontwikkeling' op de Nederlandse ambassade in Dakar, hoopvol voor het aanstaande ILO-programma in Senegal. De Senegalese regering riep bovendien zelf de hulp in van de ILO. Doel van het programma is het verbeteren van de arbeidsomstandigheden van de werkende kinderen, en preventie van kinderarbeid voor toekomstige generaties.
Dat vereist allereerst bewustwording van de hele samenleving. Niet alleen verantwoordelijken bij de betrokken ministeries, maar ook vakbonden, werkgevers, lokale ambtenaren, families en de kinderen zelf moeten leren dat kinderen rechten hebben: op veilige werkomstandigheden, gezondheidszorg, op een arbeidscontract en op onderwijs. Ze moeten leren lezen, schrijven en rekenen, maar ook praktijkgerichte vorming krijgen. ILO-man Röselaers: “Arbeidsinspecteurs kunnen leren hoe de bestaande arbeidswetgeving ook in de informele sector te toetsen. Kinderen zitten niet in de paar officiële fabrieken, maar werken met allerlei gevaarlijke machines en giftige stoffen in de talloze, vaak slecht geventileerde werkplaatsjes. Daar moeten ze ook naar kijken.”
Onderwijs is het terrein van de overheid en Unicef, maar er ligt ook een taak voor partners van de ILO. Vakbonden en werkgevers kun je er op wijzen dat een paar uur verlof voor onderwijs niet alleen goed is voor het kind, maar ook in hun eigen belang: hogere productiviteit voor de werkgevers en meer leden voor de vakbonden. De projecten zijn vooral gericht op de jongste dienstbodes, de 'gezellen', de vuilnisscharrelaars en op een vierde, nog nader te bepalen groep, waarschijnlijk kinderen op het platteland. Marisia Pechaszek wil dat hiermee niet alleen “uitbuiting van kinderen in het algemeen” wordt aangepakt, maar dat ook nadrukkelijk wordt aangegeven hoe concrete groepen bereikt moeten worden: meisjes en heel jonge kinderen, die vaak buiten de boot vallen. “Ook moet duidelijk worden hoe de kinderhanden in de familie te vervangen.” Hoe? Door versterking van de positie van de vrouw, heet dat in beleidstaal. Pechaszek: “Door te werken aan een betere rolverdeling tussen mannen en vrouwen. In Afrika bestaan veel sterke vrouwenorganisaties. Hun initiatieven kun je steunen.” Ofwel: mannen moeten ook eens de handen uit de mouwen steken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.