*

 
dossier

Archief

Henk Scholten, Stadsschouwburg Utrecht

HANNY ALKEMA − 27/08/98, 00:00

“En daar zitten de ijsblokjes”, zegt de informatrice van de schouwburgbalie, terwijl haar nieuwe directeur nog wat onwennig de aangewezen kastjes opentrekt voor frisdrank en glazen. Glimlachend kijkt hij op: “Zo heb je alvast een aardig begin voor een sfeertekening.”

Per 1 augustus jl., een zaterdag, is Henk Scholten (45) als opvolger van Menso Carpentier Alting in dienst getreden als directeur van de Utrechtse Stadsschouwburg. “Meteen m'n eerste vrije dag”, zei hij door de telefoon. Dat het hem er bevalt straalt, ruim een week later, van hem af: “De stad trekt me erg. Utrecht heeft een maat tussen Groningen en Amsterdam in en dat is een maat waar ik me prettig bij voel. Het culturele wereldje is een stuk groter dan in Groningen, maar net niet zo groot dat je niet min of meer organisch met andere instellingen zou kunnen samenwerken. Daarbij heeft het college van b. en w duidelijk laten blijken wel wat te willen. Ik viel op de advertentie. Worden nu doorgaans in eerste instantie managementkwaliteiten vereist, en inzicht in de horeca, hier stond eindelijk weer het artistieke profiel voorop. Ook de samenstelling van de sollicitatiecommissie duidde daarop: in meerderheid afkomstig uit de wereld van cultuur, met zelfs van buiten Utrecht aangetrokken mensen. Heel bijzonder.”

Hiervoor was Henk Scholten directeur van het Fonds voor de Podiumkunsten, dat onder zijn leiding een behendig op ontwikkelingen inspelend 'subsidieloket' werd met directe lijnen naar het veld en een sinds de start verdubbeld budget. Eerder was hij een vijftal jaren directeur van het Zuidlandtheater in Terneuzen, waar hij vooral de muziekcultuur een fikse impuls gaf met een jaarlijks openluchtfestival. Zijn loopbaan in de podium-kunsten begon hij midden jaren zeventig in Groningen als acteur bij jeugdtheatergroep Genesius en wat later als dramaturg bij De Voorziening: “Toen hoefde ik van mezelf m'n studie dramaturgie niet meer af te maken, omdat ik het daarmee beoogde doel alvast had bereikt.”

“Na Terneuzen was het Fonds een uitdaging, omdat zoiets veel meer een beroep doet op je intellectuele vermogen, maar na zes jaar is het wel weer erg lekker om in de praktijk te werken. Mijn opdracht - zo staat het ook in de aanstellingsbrief - is om hier een landelijk aansprekende schouwburg van te maken. Een van mijn zwaartepunten is, dat er meer gebeurt waar het hele gebouw bij betrokken is. Tot nu toe was eigenlijk alles apart, waren programmering van de Douwe Egbertszaal - ik moet er nog aan wennen dat de grote zaal sinds de verbouwing zo heet - en die van de Blauwe Zaal strikt gescheiden. Belangrijk is dat het gebouw als totaliteit één uitstraling heeft en ik ben daarom van plan meer projectmatig te programmeren. Al is het woord festival gedevalueerd, ergens in die geest zoek ik het wel. Concrete ideeën? Nou, nog niet echt. Nou ja, een sluimerend idee is: we moeten toch iets met de overgang 1999-2000 doen en over het algemeen zal dat thematisch gezocht worden in een nieuw begin; ik zou dan precies het omgekeerde willen, iets als een festival van de ouderdom, misschien.”

“Ik wil absoluut dat in dit gebouw geproduceerd wordt. De mensen mogen niet alleen geconfronteerd worden met bestaande, met affe producten. De routine-organisatie moet omgeturnd worden tot een project-organisatie. Er moet weer wat spanning komen, wat vrije ruimte in de hoofden van de mensen, die hier al een tijd zitten, worden gecreëerd. Ik wil dat zij direct betrokken worden bij het ontstaan van dingen. Dat is ook goed voor de stad. Ik hoorde dat samenwerking tussen de verschillende kunstinstellingen heel beperkt is. Een uitkrant met een volledig overzicht van het podiumaanbod is er bijvoorbeeld niet. Toevallig zijn er wel nogal wat wisselingen van de wacht. Zo is Maarten Verhoef van Theater Kikker naar de Maastrichts theaterwerkplaats Het Kruis van Bourgondië, heeft Petra Blok van Festival aan de Werf aangekondigd dat ze vertrekt en is Casper Vogel pas sinds kort directeur Festival Oude Muziek. Dat betekent dat je samen een soort nieuwe start kunt maken.”

Belangrijk vindt Henk Scholten contacten met nieuwe groepen en initiatieven: “Morgen heb ik een gesprek met de artistiek en zakelijk leider van De Paardenkathedraal, Dirk Tanghe en Jetta Ernst, om die banden aan te halen.” Ook zoekt hij mogelijkheden voor projectmatige samenwerking met jonge groepen als 't Barre Land: “Al kan het best zijn, dat de zaal van Theater Kikker na de verbouwing net weer geschikter is voor zo'n groep. Daar moet je heel open in opereren. Fysiek is het onmogelijk een gezelschap hier te huisvesten. De schouwburg is een monument, dus vallen er geen verdiepinkjes of vleugeltjes aan te bouwen. Een gezelschap zal elders in de stad onderdak moeten hebben, maar het gaat erom dat je elkaar zo versterkt, dat je dezelfde doelen nastreeft.”

“Mijn ideaal zou een in alle opzichten stads-gezelschap zijn, dat inspeelt op de heterogeniteit van de bevolking zowel qua leeftijd als in etnische zin, dat repertoire speelt, maar ook locatieprojecten doet. Die zouden wij dan kunnen co-produceren. Een schouwburg wordt te veel gezien als een gebouw. Voor mij is het meer een artistieke organisatie die over een gebouw beschikt waar je wat kunt laten zien, maar die ook op andere plekken iets kan organiseren. Toen ik destijds in Terneuzen wilde deelnemen aan het jaarlijkse havenfeest, kon dat volgens de organisatie niet. Dat speelde zich met braderie en al immers in het centrum af, terwijl de schouwburg aan de buitenkant stond. Maar een schouwburg kan zich, zo bleek, ook met straattheater profileren. Een schouwburg is een levend iets.”

Opgewekt meldt Henk Scholten dat een begin maken met het realiseren van zijn plannen in zo'n eerste week een utopie is: “Telefonisch stuitte ik vrijwel steeds op dezelfde antwoordapparaatberichten: 'op 17 augustus zijn wij weer bereikbaar'. Wel heb ik kennismakingsgesprekken gevoerd met mensen binnen de organisatie, maar driekwart was nog op vakantie. Ik heb vooral veel gelezen: oude programmaboekjes, tussenstanden van de voorverkoop, begrotingen. Me ingewerkt in de financiële kant, ja. Dan kun je je wenkbrauwen fronsen, maar het is nu eenmaal zo: je kunt de prachtigste fantasieën hebben, je moet toch eerst zorgen dat er geld is. Verder zag ik dat het gebouw, behalve de infobalie, geen dagfunctie heeft. Natuurlijk zijn er tientallen manieren om daar wat aan te doen. Openbare repetities bijvoorbeeld. Met 22 000 studenten heeft Utrecht de grootste universiteit en daar zit een per definitie geïnteresseerd potentieel aan theaterbezoekers.”

Bij de uitgang ziet Henk Scholten het meestal verlaten schouwburgplantsoentje tijdens de warme introductiedagen veranderd in een kwetterende verzamelplaats van verkoeling zoekende eerstejaars: “Daar zit m'n nieuwe publiek al.”

mailIcon print |