PARAMARIBO - De monetaire situatie van Suriname kan met een eenvouding IMF-recept binnen een half jaar weer in evenwicht komen. In tegenstelling tot wat veel Surinamers vrezen, brengt het opvolgen van de nieuwste adviezen van het IMF geen verdere verarming voor de laagste inkomensgroepen met zich mee.
Sterker nog, de koopkracht van de meeste Surinamers zal binnen afzienbare termijn verdubbelen. Dit stelt econoom Marein van Schaaijk in zijn rapport 'Monetaire pakket '95: IMF-voorstel gekwantificeerd' dat hij deze week aan de Surinaamse regering presenteerde.
De macro-econoom van Schaaijk vestigde zich vorig jaar als adviseur voor ontwikkelingslanden, na een loopbaan van achttien jaar bij het Nederlandse Centraal planbureau. Hij woonde jarenlang in Suriname en promoveerde op een proefschrift over het land. “Sindsdien is Suriname eigenlijk een hobby geworden”, zegt Van Schaaijk.
Volgens de Haagse econoom verkeert Suriname nu in een dusdanig dieptepunt, dat de weg naar herstel met een paar simpele ingrepen gevonden kan worden.
In 1994 zakte het inkomen per hoofd van de bevolking naar 230 dollar over het hele jaar. Dat is nog minder dan in het als zeer arm bekend staande Haïti. Ondertussen is in Suriname de produktie van aluinaarde, grondstof van aluminium en nog steeds de kurk waar de economie op drijft, nauwelijks gedaald. “Het gras groeit, terwijl het paard sterft. Hoe is dat mogelijk?”, vroeg Van Schaaijk zich af.
Een rationele benadering van het probleem van de sterke verarming laat volgens Van Schaaijk glashelder zien dat de Surinaamse overheid de enige schuldige is aan de enorme koopkrachtdaling. De uitgaven zijn groter dan de inkomsten en dat leidt tot inflatie en koopkrachtverlies.
Van Schaaijk: “Er is nu voldoende ruimte voor loonsverhogingen, want de produktie is veel groter dan de koopkracht. Dat komt doordat de salarisverhogingen ver zijn achtergebleven bij de inflatie. De voedselpakketten die nu worden verstrekt, kun je vervangen door het verhogen van ambtenarensalarisen en uitkeringen.”
Van Schaaijk gelooft in de eenvoudige oplossingen met snelle resultaten, die het IMF aandraagt. Het lijkt allemaal goed te passen bij een land met een tamelijk kleinschalige, overzichtelijke economie met een verhoudingsgewijs behoorlijke produktie, nog geen half miljoen inwoners en een monetaire reserve die met 50 miljoen Nederlandse guldens al het predikaat 'voldoende' zou dragen.
Toch heeft de discussie over het al dan niet opvolgen van IMF-adviezen de afgelopen jaren enorme proporties aangenomen. Centraal hierbij staat steeds het gebrek aan de grote zak geld voor het herstel van de economie, die bungelt tussen Den Haag en Paramaribo. Nederland wil geld voor betalingsbalanssteun en een industriefonds pas vrijgeven als Suriname zich onderwerpt aan wat het IMF voorschrijft. De regering Venetiaan verwijt Nederland Suriname te willen duwen naar een hard IMF-regime, en steeds nieuwe voorwaarden te stellen. Venetiaan vindt dat de rekenmeesters in Den Haag niet zo moeilijk moeten doen, want het geld behoort Suriname toe, dat is afgesproken bij de onafhankelijkheid in 1975.
Suriname koos een eigen monitor voor het aanpassingsprogramma, het Britse Warwich Research Institute, dat welbeschouwd nog strenger voorschrijft dan het IMF. En terwijl het geruzie voortduurt blijft een samenhangend pakket van concrete maatregelen achterwege.
Van Schaaijk: “Achter de verschillende elementen van het onafhankelijkheidsproces ligt iets diepers: het besef zich verantwoordelijk te voelen voor zichzelf. Het klinkt misschien paradoxaal, maar op het moment dat men zich in Suriname volledig verantwoordelijk voelt, op dat moment worden inniger banden met Nederland voor diverse elementen praktisch uitvoerbaar. Dat geldt niet alleen voor Suriname. Het wordt tijd dat Nederlandse volksvertegenwoordigers stoppen met zich te verschuilen achter de verantwoordelijkheid van IMF of Warwick.”
Een bescheidener opstelling zou volgens Van Schaaijk Nederland sieren, waarbij bijvoorbeeld het geld voor economische steun, waaraan nu nog zo veel voorwaarden wordt gesteld, gebruikt zou kunnen worden voor het verhogen van de kinderbijslag of sociale uitkeringen. “Dat past veel beter in het IMF-model dan het financieren van voedselpakketten, zoals dat nu gebeurt.”
Komende week vertrekt een Surinaamse regeringsdelegatie naar Washington om daar te praten met de Inter-Amerikaanse ontwikkelingsbank IADB en het IMF. Aanleiding hiervoor is de meest recente strubbeling bij de begeleiding van het aanpassingsprogramma: Warwick dreigde Suriname te zullen verlaten omdat de regering zich hoegenaamd niets aantrekt van de adviezen die Warwick en het IMF geven.
Minister Assen van planning en ontwikkelingssamenwerking stelde geschrokken dat het allemaal niet zo erg was en greep de uitnodiging van de IADB om te bemiddelen met beide handen aan.
Van Schaaijk is hoopvol gestemd over de afloop van deze nieuwste belofte van beterschap. Hij voerde de afgelopen week veel gesprekken met politieke leiders, werkgevers en werknemers en stelde vast dat de psychologische weerzin tegen adviezen van buiten aan het slijten is.
Veel hoop vestigt Van Schaaijk op Telting, de nieuwe president van de centrale bank. Telting liet vorig jaar, kort na zijn aantreden, plotseling de koers van de Surinaamse gulden vrij, zonder daarvoor politieke goedkeuring te vragen. Woensdag kondigde de bankpresident strenge sancties aan tegen handelsbanken die aan geldschepping doen door boven hun kredietplafond leningen te verstekken.
“Het is hem echt menens”, aldus Van Schaaijk. “Telting voert een streng beleid om de koers te stabiliseren. Dat werd hoog tijd.” Ook in het regeringskamp begint het volgens Van Schaaijk door te dringen dat de weg van het IMF niet per se een kwade is die vooral ellende meebrengt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.