Vandaag overhandigt staatssecretaris Gmelich Meijling van defensie op het gemeentehuis van Kerkrade een uitkering van 1000 gulden aan tien veteranen uit 40-45, Nederlands Indië, Nieuw-Guinea of Korea. De uitkering, vastgesteld na lang politiek gekissebis, wordt door veel oud-strijders als een fooi beschouwd, maar als symbool van erkenning zijn ze er toch wel blij mee. Van de 120 000 veteranen of hun weduwen die ervoor in aanmerking komen, hebben er zich tot nu toe 50 000 bij defensie gemeld. Een van hen is 'Koreaan' Jan Enninga (69) uit Kerkrade.
Twee weken geleden kreeg hij uit Korea een eremedaille toegezonden. “Mij waren ze tot nu toe vergeten. Ik weet ook niet waarom ik om nu plotseling wel krijg. Ach, je kunt zo'n medaille aan je kleinkinderen laten zien. Er zijn mensen die er gek op zijn. Ik niet. Als ik naar een reünie ga, ga ik meestal in mijn gewone kleren. Waarom? Er lopen daar zoveel mensen met medailles op die nog nooit één schot hebben gelost. . . Maar wel zulke verhalen! Ik laat ze maar lullen.”
Jan Enninga wordt op 3 maart 1928 in Heerlen geboren. Het gezin telt 14 kinderen. Jan is de op één na oudste. In 1950 is het in Korea oorlog tussen het communistische noorden en het westelijk georiënteerde zuidelijke deel van het land. Noord-Korea rukt op en de Veiligheidsraad van de VN besluit tot militaire interventie. Zestien landen doen mee. Daaronder Nederland, dat torpedobootjagers, fregatten en een infanteriebataljon van 4 000 man stuurt. De Nederlanders worden ingedeeld bij het Amerikaanse 38ste Regiment Infanterie. De frontlinie ligt ter hoogte van de 38ste breedtegraad.
Het is april 1951. Bouwvakker Jan Enninga (net 23) meldt zich vrijwillig voor Korea aan. Hij krijgt een militaire opleiding in Schoonhoven, reist door naar Rotterdam en scheept in op een Amerikaans troepenschip. “Ik deed het vooral om het avontuur, maar ook om het geld, want het werd goed betaald.” Al vertellend ziet hij de bootreis nog duidelijk voor zich. “De boot voer eerst naar Pyraeus, waar Griekse soldaten aan boord kwamen, daarna naar Izmir, waar Turken werden ingescheept en verder door het Suezkanaal. Ik zie die Turken op dat schip nog met hun hoofd naar Mekka buigen. En als ze ook maar iets verkeerd deden, kregen ze slaag, want het Turkse leger kende toen nog lijfstraffen. Zo'n soldaat moest dan in de houding gaan staan en kreeg pats! een klap. Toen wij dat zagen, sprongen we er in. Daarna mochten we niet meer aan die kant van het schip komen.”
Via Japan vaart het schip verder naar Zuid-Korea, naar de havenstad Pusan. “Het was winter en we moesten in kleine tentjes bivakkeren op een berghelling vol modder. Wat een prut, wel een meter dik. Later vroor het 's nachts 30 graden en was het overdag warm. In het begin hadden we kleding die daar helemaal niet op was berekend. We hadden onze neus gauw vol van Korea. . .”
Korporaal Enninga wordt ingedeeld bij een ondersteuningscompagnie en moet naar het front. “Ik kwam bij de TLV terecht, de terugstootloze vuurmond. Dat ding woog 75 kilo. Je kon er 75 mm granaten mee verschieten. Ik was schutter. De Koreanen droegen de granaten. Hooguit drie konden ze er tillen, die mannekes. In van die zakken op hun rug.”
“En zo sjouwden we door de bergen. Ik had voor niets of niemand angst. We gingen er flink tegenaan. We hielden stand op heuvels, waar de Amerikanen werden teruggeslagen. Er zijn heel veel Amerikanen gesneuveld. Wij waren als militairen beter. Ook met schieten, terwijl zij toch het beste materiaal hadden. Of ik iemand heb doodgeschoten, weet ik niet. Je schoot op bunkers, je zag rook en vuur en voor de rest keek je er niet naar. Als die bunkers maar weg waren. Ik heb wel veel lijken gezien. Daar wen je aan. Die zie je op het laatst niet meer. Alleen de lijken van kameraden hè, dat went niet. Ik heb maten en ook Koreanen met wie we de hele dag optrokken, van dichtbij zien sneuvelen.”
Van oorlogsmisdaden heeft hij niets vernomen. “Ik heb wel meegemaakt dat iemand met een pistool zat te spelen en daar ondanks waarschuwingen mee door bleef gaan. En het ging af, zeg. Een jongen uit Oirschot werd geraakt. Pang. Dood. Andere incidenten? Op de terugweg aan boord heb ik wel gehoord dat een stel Belgen vastzat. Die hadden wat met vrouwen uitgevreten. In ons onderdeel is niets gebeurd. We hadden trouwens nauwelijks contact met burgers.”
Doordat de VN-troepen veel beter zijn bewapend dan de communisten zijn ze snel aan de winnende hand. Maar als de Noord-Koreanen tot aan de Chinese grens zijn teruggeslagen mengen de Sovjet-Unie en China zich openlijk in de strijd. China met een leger van maar liefst 300 000 man.
Enninga verbaast zich er nog over. “Als wij één man hadden, hadden die Chinezen er wel honderd, maar wapens, ho maar. We namen er eens een stel gevangen. Een zak rijst en bonen hadden ze bij zich. Een rantsoen voor twee weken. Nee, dikke Chinezen heb ik niet gezien. En dan liepen ze op van die strooien schoentjes. In die kou. . .”
Na een jaar Korea zit zijn contract erop en op 16 oktober 1952 is hij weer thuis. Binnen een maand verbrast hij zijn geld en op 26 november meldt hij zich opnieuw voor Korea aan. De bootreis voert nu eerst naar New York waar hij meeloopt in een parade over Fifth Avenue en waar hij zich voor het overige in het nachtleven stort. In Korea is intussen een wapenstilstand overeengekomen. Enninga blijft er nog tot eind 1954 en heeft al die tijd een bruin leven.
“Ja en de mannen die daar toen ook waren, die werkelijk geen schot hebben hoeven lossen, lopen nu met medailles op hun borst. Er zijn er zelfs bij met oorlogstrauma's. Ik heb daar geen respect voor. Ik kan er niets aan doen. . .”
Van zijn ervaringen in Korea zegt hij later alleen maar profijt te hebben gehad. “Ik heb geleerd om voor mezelf op te komen. Als je hoort dat de jeugd van tegenwoordig zoveel problemen heeft en er hulpverleners nodig zijn. . . Laat ze maar weer een vorm van dienstplicht invoeren. Dat is veel beter.”
Hij hield aan Korea vrienden voor het leven over en twee slechte oren. “Van het lawaai bij het schieten. Dat weet ik zeker, maar ik kan het niet bewijzen. Anders had ik misschien nog ergens van kunnen trekken.”
Na zijn diensttijd trouwt hij en gaat weer in de bouw. Later wordt hij magazijnbediende in Duitsland. Tot hij op 58-jarige leeftijd wordt getroffen door een hartinfarct en in de WAO belandt. Intussen heeft hij AOW en een klein Duits pensioentje. De 1 000 gulden van defensie zijn dan ook meer dan welkom. Maar: “Eigenlijk is het natuurlijk een aalmoes. Een lachertje. Vooral omdat ze er zoveel poespas omheen maken. De staatssecretaris komt naar Beek vliegen om ons dat geld te geven. Wat kost dat wel niet? Eigenlijk moesten ze zich schamen. Maar
afijn, op het eind van mijn leven komt er dan toch nog erkenning. Wie weet. Misschien krijg ik straks mijn crematie wel vergoed. . .''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.