De auteur is pedagoge en schrijfster van onder meer: 'Dag Marietje tot vanavond: over ouderschap, kinderopvang en pedagogische verantwoordelijkheid'.
Beter gezegd: ze keren zich in hun Podiumartikel van 30 januari niet zozeer tegen dit onderscheid, ze lijken het niet te begrijpen. Terwijl Pessers (Trouw, 26 januari) toch zeer uitvoerig is. Pessers benadrukt zeer terecht het belang van de private sfeer voor de opvoeding van kinderen. Berger en Van der Bles hebben het over de crèche die heel goed een 'veilige thuishaven' kan zijn voor het kind.
Deze uitdrukking roept bij mij irritatie op. Spreken over een 'veilige thuishaven' doe je in verband met een 'boze buitenwereld' waarvoor een 'veilige thuishaven' compensatie biedt. Zeer jonge kinderen zijn meestal nog, gelukkig, gewoon thuis. De creche is geen thuis, kinderen kunnen zich er hooguit thuis voelen, zoals ze zich later ook op school of bij de buren of bij opa en oma thuis kunnen voelen.
Het is heel wenselijk als kinderen zich niet alleen thuis, maar ook op andere plaatsen thuis kunnen voelen. Daarvoor is het echter van groot belang dat ze op één plaats thuis zijn; bij hun ouder(s). De relatie met de ouders is van een heel andere orde dan die met de leidster in het dagverblijf. De band met de ouders is, als het goed is, levenslang. En de basis voor die band wordt gelegd in de jonge jaren. De waarden die in de ouder-kindrelatie van belang zijn zijn: verantwoordelijkheid, onbaatzuchtigheid, vertrouwen. En de wijze waarop deze waarden door de ouders al dan niet worden gerealiseerd, vormen de blauwdruk waarmee het kind zijn latere sociale relaties vormt.
Niet ieder gezin is voor het kind veilig. Deze droeve feitelijkheid wordt door voorstanders steeds aangegrepen om crèches aan te prijzen als eigenlijk beter voor het kind. “In crèches zijn tot op heden geen kinderen vermoord”, stellen de Trouw-redacteuren. Ik vind dat ze wel heel erg ver, tè ver gaan door de kindermoorden van de afgelopen weken in de strijd te werpen.
De schrijvers hebben het over “al die kinderen” die emotioneel verwaarloosd, fysiek bedreigd of zelfs regelrecht mishandeld worden. Om hoeveel kinderen gaat het dan feitelijk? Een zeer pessimistische schatting is dat het om tien tot twintig procent van de kinderen gaat. Dat is natuurlijk veel te veel, zelfs één procent zou nog te veel zijn. Maar het betekent wel dat voor tachtig tot negentig procent van de kinderen het gezin nog steeds een veilig thuis is. En juist aan de overige tien à twintig procent wordt duidelijk wat de gevolgen voor het kind zijn als het gezin er niet in slaagt om de gezinswaarden waar Pessers het over heeft te realiseren.
Wat kan de crèche voor deze tien à twintig procent kinderen betekenen, voor wie het thuis niet veilig is? De schrijvers hebben het over 'publieke controle'. Een signaleringsfunctie dus, wat betreft kindermishandeling. Signaleren is prima. Maar wat gebeurt er daarna? Neemt de crèche-leidster het kind soms mee naar huis? Nee, zij schakelt - terecht overigens - het bureau vertrouwensarts in, dat wordt overstelpt met aanmeldingen. De crèche is de keerzijde van de beslotenheid van het gezin. Het zijn niet langer familieleden, buren en vrienden die het kind opvangen. Als oma merkt dat haar kleinkind fysiek bedreigd wordt, kan zij het kind namelijk wél een paar dagen meenemen.
Pessers heeft het gelukkig niet over controle maar over zorg. Zorg die thuis heel anders wordt gegeven dan in het dagverblijf. Daar is haar verhaal heel duidelijk over. Slechte zorg door ouders dient niet te worden aangepakt door controle, maar door steun te geven aan die ouders. Liefst in de privé-sfeer (familie e.d.), maar als dat niet kan in de publieke sfeer. Dan kúnnen crèches ondersteunend zijn, puur door ouders te ontlasten.
In crèches zijn tot nu toe geen kinderen vermoord, gelukkig. Maar mocht dat ooit gebeuren dan zal ik niet zo onfatsoenlijk zijn om dat in de argumentatiestrijd over kinderopvang te gebruiken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.