*

 
dossier

Archief

Wat zou de schilder hiermee bedoelen, liefje?

CASPER SCHOEMAKER; STIJN AERDEN − 29/01/96, 00:00

De zondag is een officiële rustdag, nog steeds. Hoe besteden mensen deze vrije dag? Deel 9: Het museum voor moderne kunst

Het echtpaar sluit achteraan in de rij voor het museum.

“Ik ben benieuwd of die Prokofjev er nog hangt”, zegt de vrouw.

“Ik dènk het niet, schat”, zegt de man.

“Maar dat was toch hiehier”, zegt ze en zwaait met haar museumjaarkaart. “Dat mysterieuze portret, met die prachtige kleuren. Ik heb er vorige keer een uur voor gestaan.”

“Dat was Kokoschka, schat.”

“Ach ja, Kokoschka. En die Nederlander, Wilmink, met die prachtige dreigende luchten.”

Ze legt met een breed armgebaar haar museumjaarkaart op de balie. “Karel Wilmink. Ik heb eens een interview met zijn vrouw gezien. Die wilde geen bloemen van de interviewer aannemen. Gek hè? Niet van bloemen houden. Ze zei 'Geef me maar een sigaar', geloof ik. Ach nee, dat was Mathilde Röling.”

“Hij is verlopen mevrouw.” De juffrouw achter de kassa geeft haar de museumjaarkaart terug.

“Verlopen? Nu al? Ik heb hem nauwelijks kunnen gebruiken!”

“Dat heeft de hele rij al begrepen, schat”, sist de man en trekt zijn portemonnee.

De rij die zich voor het museum had verzameld, is binnen homeopathisch verdund. In elke zaal staan wel een groepje, maar niemand loopt elkaar voor de voeten. Het aangename van museumbezoek op zondag is dat er geen schoolklassen door het gebouw hollen, met kinderen die elkaar de naakten aanwijzen en met hun vingers over de bobbelige verf glijden, achterna gezeten door bezorgde suppoosten.

In de eerste zaal staat een groep dames verzameld rond een gids. Allemaal dragen ze een rok, een trui met ketting, een tas om de schouder.

“Het is een doek uit zijn vroegere periode”, vertelt de gids. “Toen hij nog maar net in Parijs woonde. De kleuren drukken heimwee uit, naar zijn vaderland.” Ze wijst op een roestbruine lampetkan in de linker bovenhoek van het schilderij. “Nu ik er zo naar kijk - en ik weet niet hoe het u vergaat - heeft het iets verstikkends, alsof het op je af komt.”

De man trekt hoofdschuddend zijn vrouw mee naar de volgende zaal. Daar staat een groepje Japanners. “Why”, vraagt de gids, “do you think did the museum put these two paintings together?” De Japanners kijken de gids vriendelijk glimlachend aan.

“Wat denk jij, Ria?”, zegt de man tegen zijn vrouw.

Ria kijkt geconcentreerd naar de beide doeken. “Geen idee”, zegt ze. “Ze kleuren niet bij elkaar. Het vloekt zelfs. Is dat het? Dat het vloekt?”

“Ze hebben dezelfde vorm van abstractie”, legt de man uit, terwijl ze verder lopen. “Allebei kubistisch. En dat terwijl de één een Rus en de ander een Amerikaan is.”

“Een De Kooning!”jubelt de vrouw en wijst op een enorm doek vol kleurige klodders.

“We zeggen De Koening, schat”, zegt de man. “Kom eens hier kijken.” Hij wijst op het doek ertegenover. “Vertel eens wat je ziet?”

Ria begint op te sommen: “Achtertuintjes, de was, een boom, een dak van een schuurtje met sneeuw, jongetjes die een sneeuwpop maken en in het midden lopen twee katten.”

“Ja, dat ziet iedereen. Maar wat zou de schilder hiermee bedoelen, liefje? Wat denk je?”

“Het is een Amerikáán, Paul. Dan hoeft dat niet.” De vrouw wil doorlopen, maar hij trekt haar terug aan haar tasje.

“Ik zal je helpen”, zegt hij. “Het is uit 1914. Ria, 1914. Wat gebeurde er toen? Denk eens na. Een zwarte kat tegen witte sneeuw . . . schone was. Nou?”

“Hè Paul, laat me toch op míín manier genieten.”

Een zaal verder is ze het al vergeten.

“Karel Appel”, leest ze, “Of is het Eppel? Wat schildert die man toch verkwistend, zo uit de tube. Met die verf had hij er wel drie kunnen maken. Waar is dat nou voor nodig!”

“Nou?”, zegt haar man. “Denk 'ns na?”

“Het maakt het wel weerbarstig”, probeert ze. “Het geeft reliëf . . . het is net ribfluweel: corduroy.”

“Goed zo. Heel goed”, glimt de man.

De vrouw huppelt naar het volgende schilderij. “Kijk hier eens Paul”, zegt ze, “die vrouw heeft twee hoofden. Net als bij Picasso. En op de plek van haar hart zit een gat.” De man steekt z'n duim op. “Prima.”

“Alleen”, peinst ze, “is het nog niet helemaal af, lijkt het. Het heeft ook nog geen titel.”

De man zucht. “Kom maar mee”, zegt hij. “Dan gaan we naar Kokoschka.”

Op weg naar de zalen met de vaste collectie wordt het almaar stiller. Op zondagmiddag loopt er geen mens. Uit de bezoekcijfers van de musea blijkt dat kunstliefhebbers alleen nog warm lopen voor grote overzichtstentoonstellingen. Ze nemen liever een dag vrij om in file langs Malevitsj, Van Gogh, of Vermeer te gaan, dan op zondagmiddag op eigen kompas door een museum te dwalen.

Juist het massale karakter van deze kunstevenementen trekt de tegenwoordige kunstliefhebber aan. Dat zegt de Franse socioloog Michel Maffesoli. Hij ziet deze behoefte als een reactie op de verregaande individualisering van de samenleving.

Op de Vermeer-tentoonstelling, het Filmfestival of de Uitmarkt is de kunstliefhebber vooral op zoek naar het 'wij-gevoel'. En daarmee bedoelt Maffesoli niet de verbondenheid van een kerkgemeente of een politieke partij, maar meer een typisch Mart Smeets-gevoel: de euforie van schaatshallen en voetbalstadions. Vrijblijvend en zonder verplichtingen. Samen ergens vol van zijn - dat is de essentie. Tot het eindsignaal klinkt en ieder zijns weegs gaat, om nooit meer in dezelfde samenstelling terug te keren.

Terug in zaal één loopt het echtpaar gearmd. Bij het schilderij met de lampetkan staat dezelfde gids met een nieuwe groep. “Nu ik er zo naar kijk”, zegt ze, “en ik weet niet hoe het u vergaat, heeft het iets verstikkends, alsof het op je af komt.”

“Ik heb wat voor je, Ria”, zegt de man en geeft haar een kleine envelop. “Je lievelingsschilderij op een ansicht.”

Hij geeft haar een vriendschappelijke por in de zij. “Een echte Prokofjev.”

mailIcon print |