*

 
dossier

Archief

Employability is Montignac-dieet

J. THEEUWES − 27/01/98, 00:00

Banen voor het leven zijn een zaak van het verleden. Iedereen moet hard gaan werken aan zijn employability, zijn inzetbaarheid. Permanente scholing is daar een bestanddeel van. Dat roepen deze dagen werkgevers en bonden om het hardst. Maar is het wel zo nieuw? En is het met scholen niet net als diëten? Employability is net zo'n hype als Montignac.

De bevolking zou er flitsend uitzien als iedereen zou diëten tot hij strak in het vel zat. De economie zou super werken als iedereen levenslang zou leren tot aan de grens van zijn kunnen. Maar de mens is niet gemaakt om te diëten en soms is het vege lijf zo gebakken dat matigen niet helpt. Wie in kraamklinieken kijkt, ziet baby's in alle maten en verrassende vormen, een genetisch gegeven waar een leven lang dieten niets aan verandert.

Leren is net zo hopeloos als diëten. Leren helpt niet voor iedereen. Niet iedereen wil of kan leren. Wie in kleuterklassen kijkt, ziet al gauw dat slimmigheid en handigheid oneerlijk verdeeld zijn vanaf de geboorte en daar kan geen levenslang leren tegenop.

Toch wordt levenslang leren deze dagen naar voren geschoven als de oplossing voor vele maatschappelijke kwalen met een vurigheid die meestal slechts gereserveerd is voor het geloof in het heil van een nieuw dieet.

Europese werknemers worden belaagd door alsmaar slimmer wordende buitenlandse concurrenten. Er komen steeds ingewikkelder technieken en kennis veroudert snel. De enige oplossing is dat iedereen een leven lang wordt bijgeschoold.

De Oeso, de Parijse club van de rijke industrielanden, heeft namens haar leden recentelijk een rapport uitgebracht over levenslang leren. In dat rapport staan, zoals dat gebruikelijk is in ambtelijke documenten, veel nieuwe woorden tussen aanhalingstekens.

We moeten toeleven naar een “global information economy” en daarom moeten alle landen worden omgevormd tot een “learning society”. Het zal wel.

Het rapport bevat ook drie praktische aanbevelingen. Zo moeten we de fundamenten van levenslang leren verbeteren. Levenslang leren moet kunnen bouwen op degelijk basisonderwijs en middelbaar onderwijs. De schrijvers wijzen zorgelijk op de hopeloze uitzichten voor jongeren die het onderwijs zonder diploma verlaten (gemiddeld 15 à 20 procent van de jongeren).

De overgang tussen school en werk moet geleidelijker verlopen dan nu het geval is, beveelt het rapport verder aan. De opstellers denken daarbij aan minder rigide vormen van onderwijs, veel meer experimenteren met studieduren en curricula en met combinaties van werken en leren.

Ten derde zien de opstellers een belangrijke rol voor de overheid en de sociale partners weggelegd. Zij opperen een 'Ministry of Learning' een leerministerie te stichten. Dat omvat meer dan het 'gewone' ministerie van onderwijs. Dat nieuwe departement krijgt ook de afdelingen van Sociale zaken die gaan over de scholing van werklozen en de delen van Economische zaken die zich bezighouden met kennis en technologie.

Er staan veel goede zaken in dit rapport, maar er zijn twee punten waardoor ik toch niet zo opgezweept raak over het heil van levenslang leren. Punt één: er wordt spontaan al veel bijgeschoold door werkgevers en de werknemers zelf.

Levenslang leren bestond al voor het officieel werd uitgevonden. Bijna iedere werknemer doet op zijn vijftigste totaal andere dingen dan op zijn twintigste. Velen van ons werken hun hele leven in beroepen waar we niet voor hebben gestudeerd. Werkgevers hebben er belang bij om hun werknemers bij te scholen als ze de productie omgooien. Dat hoeft de overheid niet te stimuleren.

Er wordt vaak gezegd dat levenslang leren nu meer nadruk krijgt omdat de veranderingen sneller gaan. Maar in de jaren veertig en vijftig gingen we over van een oorlogseconomie en een landbouweconomie naar een industriële economie.

Er zijn sinds de jaren zestig voortdurend bedrijfstakken weggevallen (scheepsbouw bijvoorbeeld) en andere bijgekomen of uitgebouwd (chemie). Sinds de jaren zeventig schakelen we over van een industriële naar een diensteneconomie. Al die stille revoluties voltrokken zich zonder dat we weet hadden van levenslang leren.

Punt twee: verwacht er niet te veel van. “Il y a le mur de l'estomac”, zeggen de Fransen. Er zit een muur in de maag. Je kunt maar zoveel eten. De ene al wat meer dan de andere. Er is ook een muur bij het leren. Je kunt mensen niet onbeperkt laten leren.

Er kan altijd veel worden verbeterd aan kennisoverdracht en er komen steeds nieuwe leertechnieken. Maar een groot deel van de belangrijke vaardigheden voor werknemers is nauwelijks aan te leren: sociale en communicatieve vaardigheden, bijvoorbeeld, en handigheid in het oplossen van problemen. Daar word je mee geboren.

Ik geloof dat de techniek zich eerder aanpast aan de mens, dan andersom. De industriële productie stak zo in elkaar dat hoog- en laaggeschoold aan het werk kon. De lopende band maakte veel eenvoudig werk mogelijk. Maar ook in de diensteneconomie heeft men er belang bij het productieproces en de arbeidsorganisatie zo te regelen dat op alle niveaus mensen aan het werk kunnen.

De mens is geen knippatroon. Het model ligt grotendeels bij de geboorte vast. Levenslang diëten en leren veranderen daar weinig aan.

mailIcon print |