*

 
dossier

Archief

In het wetland van het Wormer- en Jisperveld broedt zelfs de kieskeurige kemphaan

HENK VAN HALM − 04/04/98, 00:00

De Polder Wormer, Jisp en Nek ligt ruwweg tussen Wormerveer en Purmerend. Het is al sinds het begin van de veertiende eeuw een drassig laagveengebied met veel sloten en vaarten, waar het land als eilanden tussen ligt.

Een vierde bestaat uit water. Het is dus een typisch wetland, een van de waterrijke gebieden waar Vogelbe-scherming en het Wereldnatuurfonds dit jaar bijzondere aandacht voor vragen, omdat het onmisbare vluchtheuvels zijn voor trekvogels, van levensbelang op hun weg naar het zuiden en terug. De meeste vogels die als broedvogel afhankelijk zijn van wetlands, staan op de rode lijst van bedreigde vogelsoorten.

Het gaat slecht met de weidevogels. Het aantal broedsels van bijna alle soorten, behalve scholekster en kievit, bevindt zich sinds de jaren zestig in sterk dalende lijn. De intensieve landbouw en het verdwijnen van openheid en rust in het landschap hebben daar alles mee te maken. Het is verontrustend dat de aantallen ook dalen in veel reservaten.

Nederland heeft een internationale verantwoordelijkheid voor een soort als de grutto. De helft van de wereldpopulatie broedt in ons land, de andere helft in Rusland. Bescherming van de grutto is ook goed voor veel andere weidevogels.

Een zeldzaam geworden broedvogel van natte gebieden is de kemphaan. In nog geen twintig jaar tijd is het aantal broedsels in ons land afgenomen van 1500 tot hooguit 400. Kemphennen broeden tegenwoordig alleen nog in natuurreservaten.

VAARLAND

Het is berekoud in de open schuit, waarmee Natuurmonumenten-opzichter Jan van der Geld ons door het Wormer- en Jisperveld vaart. Het regent en de wind is uit het noorden. Veel land staat blank. De vier wieken van de karakteristieke poldermolentjes, 'aanbrengertjes', die het water moeten afmalen, staan stil.

Sierlijke wit met zwarte kluten waden tot aan hun buik in het ondiepe water of staan op een stukje droge oever. Van slikplekjes vliegen 'kesj. . .kesj. . .' roepend watersnippen op. Troepen eenden in de verte blijken honderden smienten te zijn, die hier pleisteren tot het tijd is naar hun noordelijke broedgebieden af te reizen. De lucht is vol van de heerlijke roep van de grutto's, die elkaar najagen onder het grauwe zwerk. Kieviten buitelen boven de weiden. Witte kokmeeuwen met zwarte koppen dwarrelen als een wolk over het land. Een bruine kiekendief zweeft recht voor ons boven een rietkraag.

De door water omringde stroken grasland zijn alleen geschikt voor hooi- en weiland. Omdat er nergens rijwegen zijn, moeten vee en machines per boot worden vervoerd. Door de slechte bereikbaarheid is intensief boeren in dit vaarland onmogelijk.

ZELF BOEREN

Om het open weidegebied in stand te houden zet Natuurmonumenten met eigen machines en een eigen veestapel het traditionele beheer voort dat niet meer past in de tegenwoordige economie. Grote delen worden begraasd door Limousin-runderen, andere delen gemaaid. Jan wijst naar een grote stal in de verte. Dat is de beheersboerderij, die in 1997 werd gebouwd van gelden uit de actie 'Gul voor de grutto'.

“Natuurmonumenten boert zelf op de helft van de ruim zeshonderd hectaren die ze in de ongeveer 2400 hectaren grote polder in bezit heeft. De andere helft van het bezit is aan boeren verpacht. Onze hoofddoelstelling is een zo gevarieerd mogelijke weidevogelstand te bevorderen. Maar je kunt zelfs met een financiĆ«le compensatie van geen enkele boer verwachten dat hij in lente en voorzomer het land zo nat laat als Natuurmonumenten doet. Dat is voor geen enkele boer rendabel, want daar moet geld bij. Dit soort beheer kost veel geld. Natuurmonumenten heeft dat graag voor de weidevogels over.”

ZORGENKIND

De kemphaan is het zorgenkind van Jan van der Geld. De kemphen gaat alleen broeden in weinig bemest grasland met een hoge grondwaterstand, dat laat wordt gemaaid. Zulk 'onland' was er vroeger veel en boeren konden er weinig mee. Het was voedselarm, de geringe bemesting bestond vooral uit het door het overstromingswater afgezette slib of door de boer verspreide bagger en het gras was pas na 1 juli hoog genoeg om te worden geoogst. In het agrarische weidegebied komt de grasgroei te vroeg op gang, waardoor het gras tijdens de vestigingsfase van de kemphen eind april, eerste helft mei te hoog en te dicht is. Daarom heeft Natuurmonumenten op een aantal percelen het waterpeilbeheer aangepast. Jan: “Het is niet moeilijk deze percelen drassig te houden, doordat ze in het verleden door onderbemaling zijn ingeklonken en dus lager liggen dan het peil van de polder. We laten ze in de loop van de lente en de zomer langzaam uitdrogen. Door het water komt de grasgroei laat op gang. Kemphennen gaan broeden in kort gras. Door deze maatregel, sinds vijf jaar uitgevoerd, broeden er weer minstens dertig kemphennen in het Wormer- en Jisperveld. Als je je beheer richt op een kieskeurige soort als de kemphaan, is dat ook gunstig voor andere kritische weidevogels zoals de gele kwikstaart en de zomertaling, die dezelfde eisen aan hun broedterrein stellen.”

VLIEGJES ALS VOEDSEL

Hij voegt er nog een aardige bijzonderheid aan toe: “In brede greppels en laagten blijft een zwarte sliklaag achter als het water in de loop van de zomer langzaam is opgedroogd. Op die modderplekken krioelt het dan van de zwarte vliegjes. Daar zie je altijd kemphennen foerageren, in hun eentje of met jongen. Die plekken konden best belangrijk zijn in de voedselvoorziening van de kemphanen.”

Het Wormer- en Jisperveld is ook botanisch van belang. Je zou het in een weidegebied niet verwachten: op sommige plekken groeien kraai- en struikhei. In veenmosrietland vind je in de zomer kamvarens, welriekende nachtorchis, veenmosorchis, vleeskleurige orchis en ronde zonnedauw. In de weiden groeit de tamelijk zeldzame addertong en langs de sloten bloeien het echte lepelblad in april en de heemst in de zomer. De laatste twee zijn zoutminnende planten, die eraan herinneren dat bij periodieke stijgingen van de zeespiegel de Zuiderzee diep in dit veengebied doordrong.

Jan van der Geld: “Het zegt niets of er in bepaalde jaren veel of weinig lepelblad is. Als de oevers stevig zijn en koeien tot aan het water kunnen grazen, zul je weinig lepelblad vinden, omdat alles door de koeien wordt weggegraasd.”

natuur deze week

In zandige wegbermen komt de zachte ooievaarsbek in bloei met kleine roze geraniumbloemen en verschijnen de bleekbruine sporenaren van de akkerpaardenstaart of heermoes. ù De varens ontrollen hun veren in bossen en moerassen en op oude muren. ù De es bloeit op het kale hout. Uit dofzwarte knoppen aan gladde, grijsgroene takken komen bossen purperen meeldraden, als het mannelijke bomen zijn, groene stampers als het vrouwelijke zijn. ù De iepen aan de stadsgrachten en polderwegen zijn groen, niet alleen door ontluikend blad, maar vooral door de uitgroeiende vruchtjes. ù De groenende berken verspreiden een fijne geur als van juchtleer. Aan de twijgen met het uitgroeiende blad bungelen lange meeldraadkatjes. Korte rechtopstaande katjes bevatten de stamperbloemen. ù De fitis, die ten zuiden van de Sahel overwinterde, zingt een liedje, dat heel opgewekt begint en in mineur eindigt. Dit groenbruine zangertje heeft een voorliefde voor berken. ù Het verdwijnen van drassig grasland heeft in veertig jaar tijd het Nederlandse broedvogelbestand van de kemphaan gedecimeerd. Alleen in de Zaan-streek, in Friesland, de Lauwersmeer en een enkele plek aan het IJsselmeer zijn nog baltsplaatsen, waar de mannetjes hun schijngevechten houden. ù De heikikker paart in heideplasjes. De huid van het mannetje krijgt dan een blauwe glans. Door de verzuring van de vennen gaat deze kikker, die lijkt op de gewone bruine kikker, sterk achteruit. ù Op zandige plekken langs wegen en op dijken graven bruine zandbijtjes hun nestholletjes. Hoewel elk vrouwtje haar eigen nestje maakt en met een mengsel van stuifmeel en nectar proviandeert, leven de bijtjes zo dicht bij elkaar dat je kunt spreken van kolonies.

mailIcon print |