*

 
dossier

Archief

Rebellen bieden Congo geen legitiem alternatief

GERT VAN LANGENDONCK − 18/08/98, 00:00

Het is zeer onwaarschijnlijk dat de coalitie die momenteel in opstand is tegen Laurent-Désiré Kabila ooit op steun van de bevolking van Congo zal kunnen rekenen. Daarvoor drukken de Rwandezen een te groot stempel op de verzetscoalitie. Het zijn diezelfde Rwandezen die in 1996 en 1997 Mobutu bestreden en Kabila aan de macht hielpen.

De redenen voor de opstand van toen waren dezelfde als voor die van nu: het beveiligen van de Kivu-streek in Oost-Congo, die onder Mobutu een uitvalsbasis was geworden voor rebellenbewegingen die tegen de regimes in Kigali en Oeganda vochten. Onder Kabila was de Kivu de laatste tijd opnieuw een vrijzone geworden van waaruit het ex-Rwandese Hutu-leger en de beruchte Interahamwe-milities moorddadige invallen deden in Rwanda. Met andere woorden: de reden waarom Rwanda (en Oeganda) destijds Kabila hadden gesteund, was geheel verdwenen.

De opstand die op 2 augustus in de Kivu-streek tegen Kabila werd gelanceerd is, in de woorden van een taxichauffeur in Kinshasa, een 'fotokopie' van de opstand die Kabila vorig jaar aan de macht bracht. Kabila verscheen eind 1996 op het toneel toen hij zich aan het hoofd stelde van een opstand die tot dan toe beperkt was gebleven tot de Banyamulenge, een bevolkingsgroep van enkele tienduizenden Rwandese Tutsi's die sinds decennia op Zaïrees/Congolees grondgebied woonden. Zij waren het slachtoffer geworden van de verdeel-en-heerspolitiek van Mobutu, die de stammen in de Kivu graag uitspeelde tegen de Rwandese immigranten. Toen in 1994 honderdduizenden Hutuvluchtelingen uit Rwanda naar de Kivu vluchtten, kreeg dit spelletje een moorddadig karakter.

Vele Banyamulenge hadden de jaren voordien gevochten aan de zijde van het FPR, de Rwandese Tutsi-rebellen die nu de macht uitmaken in Kigali. Na de overwinning waren zij als goed getrainde soldaten teruggekeerd naar Zaïre, om hun families te beschermen tegen het geweld vanwege de plaatselijke Hunde- en Nande-stammen en tegen hun vervolging door de Zaïrese regering.

De opstand brak pas goed uit nadat een plaatselijke vice-gouverneur de Banyamulenge beval om Zaïre binnen 24 uur te verlaten. Hij paste echter in een groter verband. Rwanda's sterke man Paul Kagame had de internationale gemeenschap herhaaldelijk gewaarschuwd dat als zíj niet zou optreden tegen de herbewapening van de Hutu-kampen in Zaïre, hij dit zelf zou doen. De Banyamulenge waren de aanleiding, en Kabila werd bereid gevonden om zijn carrière als rebel van onder het stof te halen. Niemand geloofde eind 1996 dat Kabila iets anders was dan een marionet van Rwanda: een vergeten rebel die erbij was gehaald om de opstand een Zaïrees/Congolees cachet te geven. Kabila was een revolutionair uit de jaren '60 die zich na het mislukken van de marxistische rebellie van de jaren 1964-'65 had teruggetrokken in een ontoegankelijk gebied in Oost-Congo, waar hij dertig jaar lang een soort 'maquis' in stand had gehouden. Dat Kabila anderhalf jaar later werd ingehuldigd als president van de Democratische Republiek Congo, met aan zijn zijde de presidenten van de buurlanden die het allemaal mogelijk hadden gemaakt (Rwanda, Oeganda, Burundi, Ethiopië, Angola, Zambia), was vooral te danken aan de onwaarschijnlijke zwakte van Mobutu's leger. Toen het Zaïrese leger niet in staat bleek te zijn om zich te verdedigen tegen de rebellen, besloten gaandeweg alle buurlanden die op een of andere manier last hadden van het wetteloze Zaïre, om zich achter Kabila te scharen.

Maar de ontnuchtering volgde snel. Het pragmatisme dat de commissarissen van de Alliantie van Kabila tijdens de opmars aan de dag hadden gelegd, maakte plaats voor een paranoïde en ondoorzichtig regime. In een snel tempo slaagde Kabila erin om vrijwel iedereen tegen zich in het harnas te jagen. De buitenlandse investeerders die zich aanvankelijk met enthousiasme op het nieuwe Congo hadden gestort, stelden vast dat hun contracten van de ene dag op de andere nietig verklaard konden worden. De intellectuelen in Kinshasa zagen met lede ogen hoe de relatieve vrijheid van de laatste Mobutu-jaren geheel teruggeschroefd werd: alle politieke activiteiten werden verboden, opposanten gevangengezet, mensenrechtenorganisaties verboden. De bevolking ergerde zich aan de Rwandese aanwezigheid die gezien werd als een bezetting.

Bevriende naties werden voor het blok gezet, Clinton-gezant Jesse Jackson werd een audiëntie geweigerd omdat hij het gebrek aan democratie had bekritiseerd. De internationale gemeenschap in haar geheel werd gebruuskeerd door het dwarsliggen tegen de VN-onderzoekscommissie die klaarheid moest brengen over het lot van tienduizenden Rwandese Hutu-vluchtelingen, die vermoedelijk werden afgeslacht door Rwandese Tutsi-soldaten tijdens de opmars van Kabila. Dit alles zorgde ervoor dat de fondsen die wereldwijd klaarlagen voor de wederopbouw van Zaïre/Congo, en waar Kabila op gerekend had, niet of slechts mondjesmaat werden vrijgegeven. Hoewel onder Kabila de galopperende inflatie is bedwongen en de veiligheid aanzienlijk verbeterde met het verdwijnen van de stelende en afpersende Mobutu-soldaten, zag de bevolking op economisch vlak weinig veranderen.

Ten slotte keerde Kaliba zich tegen zijn broodheren, Rwanda en Oeganda. Hij deed dat op een erg botte manier: in plaats van een ceremonie te houden om de Rwandese 'broeders' te bedanken voor hun bijdrage aan de bevrijding van Congo, zette hij hen van de ene dag op de andere het land uit. Hij liet het Congolese volk bedanken omdat ze de Rwandezen zo lang verdragen hadden. Vrijwel onmiddellijk brak een nieuwe opstand van de Banyamulenge uit in de Kivu-streek. Maar deze keer ging het om opstandelingen die de structuur van het Congolese leger van binnenuit kenden, omdat ze er zelf in hadden gediend. In plaats van een maandenlange bush-oorlog te voeren, werd heel snel een tweede front geopend in het westen, van waaruit Kinshasa nu wordt bedreigd.

Het probleem met deze opstand is dat hij nog veel moeilijker dan de eerste voorgesteld kan worden als een Congolese beweging. Als de Tutsi-aanwezigheid binnen Kabila's leger al op verzet van de Congolese bevolking stuitte, hoe kan de onwaarschijnlijke alliantie van precies die Tutsi-elementen, aangevuld met wat ex-Mobutu-soldaten en minder bekende opposanten, dan een kans van slagen hebben? Gezien de anti-Tutsi-hetze van de voorbije weken in Congo, is het ondenkbaar dat een nog duidelijker op Tutsi-leest geschoeid regime aanvaard zou worden.

In het slechtste geval stevent Congo af op een scenario dat al vele keren is voorspeld, na de onafhankelijkheid van België in 1960, tijdens de opstanden die daarop volgden, en aan het einde van het Mobutu-tijdperk: dat van de 'somalisering' van Congo, het uiteenvallen van het land in een burgeroorlog tussen clans en stammen, die vrijwel zeker zou uitdeinen over de hele subregio. Misschien is het oude adagio van Mobutu, 'Moi ou le chaos', nu wel op Kabila van toepassing. Met dit verschil dat Mobutu het iets handiger aan boord legde dan Kabila nu.

mailIcon print |