*

 
dossier

Archief

Heel Nederland een intensive care

Door: redactie − 04/04/98, 00:00

Van onze kerkredactie Jan Hanhart, mede-oprichter van het landelijke Forum Gezondheidszorg:

“De overheid heeft onzorgvuldig gehandeld. Ze heeft de bevolking onvolledig voorgelicht over de medische aspecten van orgaandonatie en de levensbeschouwelijke aspecten buiten beschouwing gelaten. Daarom zijn de consequenties niet goed te overzien en daarom kan en zal ik mij (nu) niet als donor opgeven.”

Hanharts forum heeft een brief in de maak waarin de overheid wordt opgeroepen haar nalatigheden goed te maken.

“De overheid geeft onvoldoende informatie over de stervens-procedure. Bijvoorbeeld over de voorbereidingen voor het behoud van organen, die al worden getroffen wanneer de hersendood nog niet is ingetreden. Verder begeeft de staat zich met de vraag naar orgaandonatie op levensbeschouwelijk terrein. Hersendood is een punt in het stervensproces. Het gaat om dat proces en de emotionele en transcendente aspecten daarvan. Om de vraag wanneer iemand werkelijk dood is en of de ziel bij het einde van het leven het lichaam verlaat. Bij het orgaandonatie-formulier hadden tenminste telefoonnummers moeten worden vermeld van kerkgenootschappen en levensbeschouwelijke organisaties.

“Normaal gesproken stelt de medische staf op een intensive care de vraag of iemand organen wil afstaan, met alle emotionele gevolgen vandien. Om die problemen te voorkomen stelt de staat de vraag nu op voorhand aan heel Nederland, waarmee in feite de intensive care wordt uitgebreid tot de gehele bevolking.” Dat kan volgens Hanhart grote problemen geven wanneer er straks families met klachten komen. “Want wie krijgt dan de schuld, omdat er vooraf onvoldoende voorlichting is gegeven? Inderdaad, de overheid.” Om dergelijke politieke problemen te voorkomen, dient de overheid volgens het Forum Gezondheidszorg alsnog een adviescommissie in te stellen, waarbij burgers te rade kunnen gaan met hun levensbeschouwelijke vragen. Mensen die hun formulier al hebben ingevuld, moeten de kans krijgen zich eventueel terug te trekken als donor.

Han de Wit, meditatieleraar en auteur van een aantal boeken over het boeddhisme:

“Het mahayana-boeddhisme kent het bodhisattva-ideaal. Iemand die de bodhisattva-gelofte heeft genomen, stelt zich volledig in dienst van anderen. Het afstaan van een nier tijdens het leven past daar uitstekend in. Moeilijker ligt het bij orgaandonatie na hersendood te zijn verklaard. Ik weet niet of ik hersendood wel aanvaard als doodscriterium. Bovendien zijn de methoden om die hersendood vast te stellen soms nogal ruw. Daardoor kan het stervensproces verstoord raken. En een bodhisattva dient een beetje behoorlijk te sterven opdat hij zijn ideaal ook in een volgend leven kan voortzetten. Daarom overweeg ik de beslissing over orgaandonatie over te laten aan mijn nabestaanden. Die licht ik onderhands wel in over mijn wensen. Doordat de nabestaanden tijd nodig hebben om tot een besluit te komen, wordt de orgaandonatie vertraagd, zodat de schade aan het stervensproces beperkt blijft.

Katholieke ziekenhuispastor die anoniem wil blijven:

“Ik weet nog niet of ik zal toestemmen in orgaandonatie. In mijn praktijk heb ik het geval meegemaakt van een jongen die na een verkeersongeluk hersendood was geraakt. Zowel hijzelf als zijn ouders wilden zijn organen graag ter beschikking stellen. Omdat ze dan het gevoel hadden dat hij nog een belangrijke bijdrage had geleverd aan deze wereld. De ouders hebben heel bewust afscheid genomen van hun kind. Het had iets heel bijzonders.” Toch is ze hierdoor niet gemakkelijker gaan denken over de donatie van haar eigen organen. “Ik vind het een eng idee dat er in mij, of in iemand die mij dierbaar is, gesneden zou worden. Orgaandonatie berust sterk op de gedachte dat lichaam en geest gescheiden kunnen worden. Het lichaam van een hersendode wordt medisch-wetenschappelijk als een object gezien. Ik vind dat de mens één geheel is. Aan de andere kant, gisteren was ik nog bij een mevrouw die weer kan zien dankzij het hoornvlies van een donor. Dat is natuurlijk fantastisch.”

Jan van der Graaf, algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond binnen de Hervormde Kerk:

“Ik heb geen principiële bezwaren tegen orgaandonatie en ik ben bereid zelf organen af te staan na overlijden.” Zijn belangrijkste overweging is de intentie om het leven van anderen te sparen. Zijn geloof in de wederopstanding der doden staat orgaandonatie geenszins in de weg: “Hoeveel mensen zijn er niet gestorven met een volledig verminkt of verbrand lichaam? Ook bij een gewoon overlijden keert het lichaam tot stof terug. Het wordt tijdelijk in de aarde gezaaid. Desondanks geloof ik dat mijn lichaam bewaard wordt dankzij de opstanding van de Here Jezus Christus. De wederopstanding is een grote geheimenis die wij rationeel niet kunnen begrijpen.” Van der Graaf vindt wel dat bij orgaandonatie zorgvuldig en integer moet worden omgegaan met het lichaam. “Mijn nabestaanden moeten ervoor waken dat het op een goede manier gebeurt. Aan hen kan ik dat volledig toevertrouwen.”

Ari van Buuren, vice-voorzitter van de stichting dr. Elisabeth Kübler-Ross:

“Ik denk dat het een 'gedeeltelijk ja' wordt.” Sommige organen wil hij wel afstaan, maar andere niet. Als geestelijk verzorger in een ziekenhuis heeft Van Buuren ervaring met transplantatiepatiënten. Enerzijds is er de nierpatiënt die na een moeizaam bestaan dolgelukkig is met zijn nieuwe nier. Anderzijds zijn er de vaak ongelooflijk lange wachttijden, de steeds weer herlevende hoop en de teleurstellingen die daarop volgen. Van Buuren vindt dat de transplantatiegeneeskunde te zeer gevoed wordt door de angst voor de dood, die in onze cultuur permanent aanwezig lijkt. Bovendien maakt hij bezwaar tegen het beeld van de mens als machine waarvan elk onderdeel vervangbaar is. “Uit Amerikaanse onderzoeken is gebleken dat in de vitale organen van mensen - hart, longen, nieren - spirituele energieën aanwezig zijn. Een menselijk orgaan bevat een afdruk van iemands individualiteit en er zijn aanwijzingen dat de ontvanger van zo'n orgaan ook een persoonlijkheidsoverdracht kan ervaren.” Van Buuren heeft problemen met het hersendood-criterium: “Is dat wel een naadloze definitie van dood? En levert dat geen problemen op voor de rouwverwerking van de nabestaanden?” Hij denkt dat veel problemen verzacht kunnen worden door het doneren en transplanteren van organen in te bedden in rituelen. Analoog aan de gewoonte van indianen om een dier om vergeving te vragen alvorens het te doden en te consumeren. Zo zou de ontvanger van een orgaan respect en dankbaarheid moeten kunnen betonen aan de schenker ervan. Hij kent twee zussen, van wie de een een nier had ontvangen van de ander, die samen een geboortekaartje hebben verstuurd met daarop de afbeelding van twee nieren. “Na een goede spirituele voorbereiding hoeft de ziel van de hersendode orgaandonor, die mogelijk getuige is van het wegnemen van de organen, daarvan geen schade te ondervinden. Uiteindelijk kan een transplantatie dan meewerken aan een spirituele transformatie, zodat de donor in vrede kan sterven en een ontvanger in vrede kan verder leven.”

Thalien Koopman, gereformeerd pastor in het Dijkzigt Ziekenhuis in Rotterdam:

“Ik weet niet of ik mijn nabestaanden kan onthouden rustig afscheid van mij te kunnen nemen.” Daarom laat ze de beslissing over aan een specifieke ander: haar man. “Omgekeerd vraag ik hem om mij die beslissingsruimte ook te geven.” Zo kan de belangrijkste nabestaande zelf bepalen of hij of zij op dat moment in staat is de gang van zaken rond orgaandonatie te verdragen. “Het is mogelijk dat de nabestaande dan geen bezwaar heeft tegen orgaandonatie. Maar hij of zij kan ook nog zolang bij de overledene willen blijven, dat orgaandonatie onmogelijk is geworden.” Uit haar praktijkervaring weet ze dat er nog voor de constatering van de hersendood preserverende maatregelen worden getroffen om de organen optimaal in conditie te houden. “De orgaandonor wordt behangen met slangen, toeters en bellen, terwijl de familie nog rond het bed zit.” Ze kent mensen die 25 jaar na dato nog worstelen met de orgaandonatie van hun dochtertje dat op jeugdige leeftijd overleed na een verkeersongeluk. Toen zij hun toestemming voor orgaandonatie hadden gegeven, hadden ze zich de problematische consequenties daarvan voor het afscheid nemen van hun dochter niet goed gerealiseerd. Ze bleven zitten met de vraag of ze hun kind niet in de steek hadden gelaten. Met het doneren van weefsels, dat ook nog mogelijk is als iemand al geruime tijd overleden is, heeft Koopman geen moeite. “Dan heb je tenminste de ruimte gehad om ongehaast afscheid te nemen.”

mailIcon print |