*

 
dossier

Archief

Zelfgenoegzaamheid over het milieu

Door: redactie − 18/01/96, 00:00

Van een onzer verslaggevers DEN HAAG - Voor het milieubeleid bestaat onder Nederlanders een sociaal draagvlak, hoewel dit ook 'zwakke plekken' kent.

Eenvoudig uit te voeren gedragingen die een financiële besparing opleveren of waarvoor uitgebreide voorzieningen zijn getroffen (zoals afvalscheiding, minder stoken en de glas- en papierbak), hebben op grote schaal ingang gevonden.

Maar de gemiddelde Nederlander is uitgeproken terughoudend wanneer het gaat om de beperking van het autogebruik of wanneer milieumaatregelen leiden tot ingrijpend hogere kosten van levensonderhoud.

Dit blijkt uit een studie van het Sociaal en cultureel planbureau (SCP) over de publieke opinie en het milieu. De studie is uitgevoerd op verzoek van het ministerie van milieubeheer (Vrom) en het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM). De gegevens die het SCP voor de studie heeft gebruikt, zijn vooral afkomstig uit onderzoek naar culturele veranderingen in Nederland.

Volgens het SCP maakten in 1993 twee van de drie Nederlanders zich ongerust over het milieu, zag ruim de helft de toestand van het milieu achteruitgaan en acht bijna de helft de toestand van het milieu ronduit slecht. Als de grootste bedreiging wordt de luchtverontreiniging gezien, maar de auto valt daar voor de meeste Nederlanders buiten. De auto wordt met 25 procent als het geringste risico voor het milieu beoordeeld.

De Nederlanders zijn onder voorwaarden bereid bepaalde offers te brengen, zoals hogere prijzen voor milieu-onvriendelijke produkten. Minder Nederlanders nemen genoegen met een lagere levensstandaard. De instemming met maatregelen die de gezinsuitgaven verhogen, is uiterst gering. Slechts 13 procent is voorstander van een prijsverhoging voor energie. De auto wil men ontzien: slechts 25 procent ondersteunt een extra milieubelasting op auto en benzine; rantsoenering van benzine vindt slechts bij 16 procent steun.

Het publiek legt de verantwoordelijkheid voor een goed milieu vooral bij de producenten, in het bijzonder de landbouw en de industrie. In iets mindere mate wordt ook de overheid verantwoordelijk gehouden. De bereidheid van landbouw en industrie om zich voor het milieu in te zetten, wordt als laag gezien. De eigen mogelijkheden acht men beperkt: “Wij, de consumenten, willen wel maar kunnen niet en zij, de producenten, kunnen wel maar willen niet.”

Volgens het SCP is ongeveer 34 procent van de bevolking milieuvriendelijk, 40 procent milieu-onvriendelijk en zit 25 procent daar tussenin. Hoewel de verschillen tussen groepen gering zijn, wordt milieuvriendelijkheid het meest aangetroffen bij (onder meer) vrouwen, hoger opgeleiden en ouders van jonge kinderen. Kerklidmaatschap, de frequentie van kerkgang of de mate waarin men zich als een gelovig mens beschouwt, heeft geen invloed op milieugedragingen en -opvattingen.

Het SCP heeft een beperkte vergelijking kunnen maken met enkele andere landen uit de Europese Unie (Duitsland, Groot-Brittannië, Ierland en Italië). Daaruit blijkt dat Nederlanders zich minder zorgen over het milieu maken. Daar staat tegenover dat de (relatieve) bereidheid om offers te brengen groter is en dat Nederlanders vaker lid zijn van of steun geven aan een milieuorganisatie.

Er is sprake van een zekere zelfgenoegzaamheid: vrij veel Nederlanders (77 procent) vinden dat het eigen land in vergelijking met andere veel voor het milieu doet - het milieu is een probleem, maar in Nederland valt het mee. Volgens het ministerie van milieubeheer is die zelfgenoegzaamheid mogelijk te verklaren uit het feit dat veel Nederlanders zonder er bij na te denken, uit gewoonte, al veel aan het milieu doen.

mailIcon print |