*

 
dossier

Archief

Stekels, brandharen en vergiften

HENK VAN HALM − 08/02/97, 00:00

Chemisch-ecologische flora van Nederland en België door Herman van Genderen, Louis M. Schoonhoven en Adriaan Fuchs. Uitgave KNNV Uitgeverij, Utrecht. ISBN 90 5011 087 8. Gebonden, 298 bladzijden, ¿69,50 (ook te bestellen: ¿69,50 + ¿6,- verzendkosten op giro 13028 t.n.v. KNNV Uitgeverij, Utrecht, met vermelding 'bestelling NB 63 Chemische flora'.

De taxus heet in de volksmond niet voor niets venijnboom. Paarden, runderen en schapen, die de bittere smaak misschien een welkome afwisseling vinden van hun saaie grasdieet, sterven na en zelfs tijdens de consumptie van taxustwijgen. Lijsters en spreeuwen eten de kegelbessen met de rode zaadmantel zonder schade. Dat is in het belang van de boom, want het zaad passeert onverteerd het darmkanaal en wordt met de poep verspreid.

Net als dieren hebben planten in de loop van hun evolutie tactieken ontwikkeld om te overleven. Ze moeten zich tegen opvreters verdedigen. Dat doen ze met verschillende middelen, onder andere met stekels, brandharen en vergiften. Elke plant bezit zogenaamde secundaire stoffen, die vraatzuchtige insecten, zoogdieren en ziekteverwekkers ervan weerhouden haar aan te vallen. Anderzijds kan ze ook gebruik maken van opvreters in haar eigen voordeel.

Vergiftige insecten Veel insecten leven van planten. Zij hebben zich aangepast aan het vergif van hun specifieke voedselplant door het in hun lichaam om te zetten in niet giftige stoffen. Sommige insecten verdragen de secundaire plantenstoffen niet alleen, maar gebruiken ze om zichzelf oneetbaar te maken. De rupsen van de sintjakobsvlinder herkennen hun voedselplant kruiskruid aan het voorkomen van senecionine, een voor zoogdieren en vogels zeer giftig alkaloïde. Al etend krijgen ze de gifstof binnen, die ze niet uitscheiden, maar in hun lichaam opslaan, waardoor ze zelf vergiftig worden: zij voorzien zich van een chemisch schild. Maar ze hebben er natuurlijk niets aan door een vogel te worden opgepikt en vervolgens uitgespuugd om hun vieze smaak. Dan zijn ze misschien al dood of in elk geval beschadigd. Daarom dragen ze in afwisselende banden om hun lijf de in de natuur bekende waarschuwingskleuren geel en zwart.

Hetzelfde doet zich voor bij spinselmotten, die in de voorzomer bomen en struiken ontbladeren binnen de totale dekking van zilverwitte sluiers van spinsel. Gewoonlijk wordt gedacht dat de webben de vogels op een afstand houden. Dat is zo, maar er is meer aan de hand. De rupsen van de kardinaalsmutsmot zijn oneetbaar, omdat ze butenoliden uit de kardinaalsmuts in hun lichaam opslaan. Butenoliden zijn bedoeld om vreters af te weren, maar ze stimuleren de rupsen van de kardinaalsmutsmot juist om van de kardinaalsmuts te eten.

Oorspronkelijk zijn de secundaire plantenstoffen bedoeld om de planten tegen vraat te beschermen, maar ze zijn in hun tegendeel verkeerd: de dieren worden door de aanwezigheid ervan juist tot vreten aangezet. Proeven met koolwitjesrupsen hebben aangetoond dat planten die door de rupsen als voedsel worden geweigerd, met graagte worden gegeten, zodra ze met uit kool geïsoleerde stoffen zijn bestreken.

Insecten hebben uiterst geperfectioneerde smaakzintuigen, elke soort afgestemd op zijn eigen voedselplant. Veel vliegende insecten vinden hun waardplant op de geur van de vluchtige stoffen die de plant verspreidt. De sprieten van die insecten bezitten zintuigcellen die uiterst gevoelig zijn voor bepaalde bestanddelen van het geurstofmengsel van hun waardplant. Rupsen hebben aan weerszijden van de mond twee zintuigharen met smaakcellen, die worden geprikkeld door smaakvergallers, waardoor ze bepaalde planten als voedsel afwijzen, en door secundaire plantenstoffen waaraan zij hun voedselplant herkennen.

Je vraagt je af wat deze secundaire stoffen nog voor nut hebben voor de plant, als ze juist opvreters aantrekken. Zijn ze dan niet eerder schadelijk? Het nut berust daarin dat de vergiften toch meer dieren weren dan aantrekken. Ze hebben nog een andere, indirecte beschermende werking: bij beschadiging van de plant, zoals wanneer een rups ervan eet, komen splitsingsproducten van die secundaire stoffen vrij en deze blijken parasieten van de vreters aan te trekken. De plant slaat dan alarm, een aanpassing die van groot nut is.

Het gedrag van de witjesrupsen heeft geleid tot de agrarische ontwikkeling van 'dubbel nul'-rassen van koolzaad, die de voor witjes aantrekkelijke stoffen missen. In Duitsland leidde dat tot sterfte van reeën en herten, omdat ze er door de afwezigheid van de scherpe smaak te veel van aten. Dieren gaan gelukkig niet altijd dood na het eten van een giftige plant, maar hebben er wel onaangename verschijnselen van die met het eten geassocieerd worden, waarna de plant wordt gemeden.

Een van de duidelijkste afweerstoffen tegen grote planteneters is het gif van de brandnetel. Aanraking van de brandharen veroorzaakt pijn. Op zich zelf smaken brandnetels lekker, wat iedereen kan beamen die ze ooit als groente heeft gegeten. Paarden hebben een grote voorkeur voor dorre brandnetelstengels als winterhooi. Hoewel konijnen en schapen schrikken als ze brandnetels met de snuit aanraken, eten ze de verse scheuten. Er leven opmerkelijk veel insecten op brandnetel en vaak ook op hop en iep, die waarschijnlijk alle drie dezelfde aantrekkelijke geur- of smaakstoffen produceren.

Tot voor kort was de kennis over de chemisch-ecologische aspecten van planten alleen verspreid in vakliteratuur te vinden. Er bestaat nu een overzichtelijke en uitgebreide beschrijving van de rol van plantenstoffen in de betrekkingen tussen wilde planten en dieren. Door de vele raakvlakken met chemie, farmacie, botanie, ecologie, toxicologie, entomologie, fytopathologie en voedingsleer zie ik dit boek eerder in handen van mensen die op deze terreinen werkzaam zijn dan van gewone natuurliefhebbers. Dat is niet terecht. Ik dacht eerst ook dat het voornamelijk voer was voor chemici, maar als je de scheikundige formules laat voor wat ze zijn, lees je ertussendoor heel veel over de planten zelf dat een bijzonder licht werpt op hun relaties met andere organismen.

Natuur deze week

Er komt eindelijk leven in de voorjaarsplanten. Onder het kledderige dorre boomblad in de tuin maakt het sterhyacintje Scilla miczenkoana spruiten. De grijsgroene bladsprieten van de sneeuwklokjes zijn nu een paar centimeter hoog en een enkele plant laat al het wit van een bloemknop zien. De wilde aronskelk ontplooit het grove pijlvormige blad. Hier en daar verschijnen de lichtgroene sprieten van krokussen in de geelbruin-groene gazons. - Ook de kleine dieren worden weer actief. Op zonnige dagen dansen zwermpjes wintermuggen laag boven de grond. Als het niet vriest, lopen kleine lichtbruine krabspinnen 's avonds op de buitenkant van verlichte ramen. De kwakkelwinter met dagtemperaturen tot zeven graden en 's nachts enige graden vorst is schadelijker voor overwinterende insecten dan de strenge vorst, die we in de eerste januarihelft meemaakten. Bij zacht weer worden veel insecten wakker. Ze kunnen zich dan vaak niet snel aanpassen aan temperaturen onder nul en sterven vervolgens. - De rotgans is een kleine gedrongen gans, die in grote aantallen in ons land overwintert, vooral aan de zeekant. Hoofdzakelijk komt hier de zwartbuik-rotgans voor, die zijn broedgebied heeft in Siberië. De witbuik-rotgans uit Groenland en Spitsbergen trekt vooral naar Ierland en Noordoost-Engeland en is hier zelden te zien. De laatste rotganzen vertrekken allemaal tegelijk in de tweede helft van mei naar hun broedgebied, maar er blijven ook kleine aantallen de hele zomer door in het Waddengebied. - Deze week vond ik op een dun, kwijnend wilgje weer verse hoedjes van het fluweelpootje, oranjegeel en glimmend, elk op een krom steeltje, donkerbruin als fluweel. - De vorst heeft geen enkele invloed gehad op taaie droge zwammetjes als gele en paarse korstzwam, geweizwammetjes, elfenbankjes en grijze gaatjeszwammen.

mailIcon print |