*

 
dossier

Archief

PvdA worstelt met onderwijs en zichzelf

MARLEEN BARTH − 08/02/96, 00:00

DEN HAAG - De Partij van de Arbeid wil weer de boer op met onderwijs, in de aanloop naar de komende Kamerverkiezingen. Het thema 'kennis' speelt daarom een belangrijke rol op het partijcongres komende zaterdag in Zwolle. Het zal niet meevallen de kiezers ervan te overtuigen dat het onderwijs bij de PvdA in de beste handen is. Daarbij zit de partij vooral zichzelf in de weg.

Afgelopen maandag schoven de leden van de PvdA-fractiecommissie onderwijs en minister Ritzen al om de tafel om te praten over de koers van hun partij in het onderwijsbeleid. Een van de vragen was: 'waarom heeft Ritzen gelijk, maar krijgt hij het nooit?' Een aantal onderwijsspecialisten vindt dat de minister in de eigen partij wordt ondergewaardeerd, en wil daar wat aan doen.

Dat moet herhaling van de verkiezingscampagne van 1994 voorkomen. Daarin speelde onderwijs voor de PvdA hoegenaamd geen rol. Weinigen hadden dat verwacht; juist hier leek de partij voldoende in huis te hebben om met opgeheven hoofd naar de kiezer te gaan. Ritzen en zijn toenmalige staatssecretaris Jacques Wallage haalden de nodige successen binnen. Wallage wist de sanering van het basisonderwijs te regelen mèt instemming van het veld, en sleepte de basisvorming er door. Ritzen zwengelde de discussie aan over normen en waarden in de klas, kwam met een aanzienlijke verhoging van de salarissen van (vooral jonge) leraren en kortte op de studiefinanciering, door het ouderlijk inkomen weer mee te laten tellen bij het verkrijgen van een beurs.

Stuk voor stuk zaken waar de PvdA nog in de oppositie al op hamerde. Maar toen de verkiezingen van mei 1994 naderden, was de glans eraf. Wallage was vertrokken naar sociale zaken en liep zich warm voor het fractievoorzitterschap. Ritzen viel langzaam maar zeker in ongenade bij de partijtop.

Studiefinanciering

Dat had veel te maken met de korting op de studiefinanciering. De minister zelf prees die als 'zeer sociaal-democratisch', omdat de door de PvdA steeds verketterde ouderonafhankelijke basisbeurs op de schop ging. Alleen de hogere inkomensgroepen zouden de pijn van de bezuiniging voelen. Zijn partijgenoten betwistten dat niet. Maar de paniek sloeg toe toen de Jonge Socialisten tegen de maatregel ten strijde trokken. De fractie steunde uiteindelijk de bezuiniging, maar de minister die er zijn naam onder zette liet ze vallen.

Twee jaar later ziet het er niet veel anders uit. Ritzen keerde weliswaar tot ieders verrassing terug op Onderwijs, geliefd in zijn partij is hij nog steeds niet. Vooral de paarse bezuiniging van 1,5 miljard op hoger onderwijs en studiefinanciering is daar debet aan. Zijn kritikasters zijn meestal wel bereid toe te geven dat de minister de pijn van die korting aanzienlijk heeft verzacht ten opzichte van het regeerakkoord - zeker voor de lagere inkomensgroepen. Van zijn imago in de partij, een boekhouder zonder visie, heeft hem dat niet verlost.

Het congresstuk, de 'resolutie', waarin de PvdA haar lijn voor de komende jaren uiteenzet, bevat geen wervend, eigen verhaal over onderwijs. Op hoofdzaken wijkt het nauwelijks af van wat de andere grote partijen met het onderwijs willen. Zo verdient volgens het stuk 'het basisonderwijs een flinke impuls'. Maar ook VVD, D66 en CDA vinden dat daar geld bij moet.

Andere passages van de resolutie verraden de verwarring en verdeeldheid over onderwijs waar de PvdA aan ten prooi is gevallen. Zo vraagt het stuk om 'een fundamentele discussie over de opvoedende taken van het onderwijs', terwijl die eigenlijk net is afgesloten. Ook is het stuk kritisch over fusies in het voortgezet onderwijs. De PvdA heeft die steeds hartstochtelijk verdedigd, omdat grotere scholen meer mogelijkheden voor leerlingen te bieden hebben. En omdat uitstel van schoolkeuze via de basisvorming in een brede school beter tot haar recht komt. Populair is het beleid nooit geweest en dat klinkt door in de resolutie: 'schaalvergroting mag niet ten koste gaan van kwaliteit' en 'grote scholen moeten zich kleinschalig organiseren'.

Het hoger onderwijs hoeft volgens het congresstuk niet te rekenen op meer geld - ook daarover is overigens consensus in de coalitie. Zoals een PvdA-Kamerlid zegt: “Elke cent voor hoger onderwijs en studiefinanciering wordt opgebracht door de lagere inkomens en gaat naar de hogere inkomens”. Ritzen deelt die opstelling. Hij ziet liever dat zijn partij haar aandacht richt op het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Daar zitten de lagere inkomensgroepen, de allochtonen, de drop-outs. Dus de doelgroep van de Partij van de Arbeid, vindt de minister. In de congresresolutie komen deze sectoren echter amper aan bod.

Vouchers

In het hoger onderwijs kiest de resolutie voor de invoering van vouchers, een soort knipkaart die jongeren na hun zestiende voor hun verdere opleiding krijgen. Die geeft recht op studiefinanciering en inschrijving gedurende een bepaalde tijd aan universiteit of hogeschool. De knipkaart moet studenten de vrijheid geven om werken, levenservaring opdoen en studeren af te wisselen.

Het is een al heel oud plan, dat de partij vooralsnog verdeelt. Partijvoorzitter Rottenberg is voor, net als Kamerlid Van der Ploeg. Ritzen is faliekant tegen, net als zijn voormalig staatssecretaris Cohen. Hij wees er onlangs op dat vouchers studenten schijnvrijheid bieden: de uniforme strippenkaart zal nooit bij ieders individuele behoeften passen. Bovendien wakkert het systeem onvoorspelbaar gedrag van studenten aan, wat de instellingen voor een enorme administratieve rompslomp zet.

Vanwege die onvoorspelbaarheid, maar dan voor de onderwijsbegroting, wil ook Ritzen er niets van weten. De minister weet zich aan het roer van een mammoettanker van 38 miljard gulden; bij de besturing daarvan is weten waar je aan toe bent van het grootste belang. Vouchers veroorzaken juist risico op grote tegenvallers: studenten kunnen jarenlang massaal wegblijven en plotseling weer even massaal in de collegebanken opduiken.

Technocratisch

Voorstanders van vouchers zijn snel geneigd de argumenten van Ritzen als technocratisch en boekhoudkundig af te doen. Maar dat miskent weer het grote belang dat een ordelijke begroting in de onderwijspolitiek heeft. Ritzen heeft die tot voor kort eeuwig lekkende begroting gedicht, en de betekenis daarvan gaat veel verder dan een kloppend kasboekje.

Toen de PvdA in 1989 weer ging regeren, gold onderwijs als een spending department van de ergste soort: een hopeloze slokop van miljarden overheidsgeld die nooit genoeg had. Dat beeld is drastisch veranderd. Alle politieke partijen, maar bijvoorbeeld ook de werkgevers, hameren op het belang van goed onderwijs voor de economie. 'Kennis is naast aardgas de enige grondstof waar Nederland over beschikt' is in de politiek bijna een cliché geworden. Van big spender is onderwijs een investing department geworden.

Ritzen - econoom van huis uit - heeft dat standpunt steeds krachtig naar voren gebracht. En de beheersing van de onderwijsbegroting heeft ruimte geschapen om het in daden om te zetten. De politieke bereidheid daartoe is Kamerbreed, nu extra geld niet meer verdwijnt in een bodemloze put.

Die verandering pakt onmiskenbaar gunstig uit voor het onderwijs. Niet alleen is en wordt er al geïnvesteerd (in lerarensalarissen, in klasse-assistenten), het houdt de onderwijsbegroting in een volgend regeerakkoord waarschijnlijk in zijn geheel uit de wind. Dat dat mogelijk is geworden, is een wapenfeit dat de PvdA al in 1994 voor zichzelf in de verkiezingsstrijd had kunnen inzetten. Toen liet ze het na. Voor 1998 kan het nog.

mailIcon print |