Van onze correspondent MADRID - In Spanje is gisteren geschokt gereageerd op de jongste aanslag door terroristen van de Baskische afscheidingsbeweging Eta. De commotie is vooral groot omdat de aanslag niet in Baskenland plaatsvond, maar in het Zuid-Spaanse Sevilla.
Ditmaal werden het gemeenteraadslid van de regeringspartij Partido Popular (PP) Alberto Jiménez en zijn echtgenote Ascención García (beiden 37 jaar) op straat doodgeschoten. Alberto is het vijfde gemeenteraadslid van de PP die door de Eta in koelen bloede is vermoord.
Op een persconferentie bezwoer premier José Maria Aznar dat zijn regering onder geen beding zal zwichten voor de eisen van de Eta: “We betalen een hoge prijs maar we wijken niet af van het ingeslagen pad.” Volgens Aznar betekent het dat “met de wet in de hand” zal worden afgerekend met het terrorisme.
Dat het opnieuw de Eta is geweest, lijdt geen twijfel. Alberto kreeg een nekschot, zijn echtgenote een schot in het gezicht toen zij zich realiseerde dat er op haar man was geschoten. Op de plaats van de moord, in het oude centrum van Sevilla, net achter de kathedraal, werden enkele 9 mm-kogels gevonden, het kaliber dat de Eta als visitekaartje gebruikt. Het echtpaar, dat onderweg was naar huis na een bezoek aan een restaurant, laat drie jonge kinderen na.
De hele dag waren op de televisie rechtstreekse uitzendingen uit Sevilla te zien, waar duizenden mensen zich al in de loop van de ochtend verzamelden om tegen de Eta te demonstreren. Op de meeste overheidsgebouwen in Spanje hing gisteren de vlag halfstok. De media moesten hun programmering drastisch omgooien, ze hadden zich opgemaakt voor een dag vol gesprekken over drie speciale gebeurtenissen: de 30ste verjaardag van kroonprins Felipe, de daags daarvoor aangekondigde zwangerschap van prinses Elena en de herdenking van de moord op Gandhi, 50 jaar geleden.
De aanslag geeft voer aan de verhitte discussie over de vraag of de staat voldoende garanties kan geven om alle PP-raadsleden in Baskenland te beschermen tegen mogelijke aanslagen. Merkwaardig genoeg vond de eigen partij van premier José Maria Aznar dat die garantie er niet is, en daarom opende ze eerder deze week een bankrekening waarop geld kon worden gestort voor het huren van privé-lijfwachten.
De oppositie heeft dat initiatief fel bekritiseerd. Een woordvoerder van de socialistische partij sprak zelfs over een 'electorale propagandastunt'. Maar het verweer van de regeringspartij luidt dat de Ertzainzta, de Baskische politie, de veiligheid van de 212 leden van de PP met een politieke functie in Baskenland onvoldoende kan garanderen.
Met de moord in Sevilla heeft dit probleem een nieuwe dimensie gekregen. Iñaki Anasagasti, fractieleider van de nationalistische Baskische partij PNV in de Spaanse Cortes, benadrukte gisteren dat nu in principe alle gemeenteraadsleden in heel Spanje doelwit kunnen zijn van de Eta. “En we weten dat het onmogelijk is om iedereen te beschermen”, aldus Anasagasti.
In de eerste reacties werden ook felle verwijten geuit aan het adres van de Baskische premier Antonio Ardanza. Enkele dagen geleden stelde hij dat Madrid zich niet moest bemoeien met de veiligheid van de raadsleden van de PP. “Het is een Baskisch probleem dat de Basken moeten oplossen”, aldus Ardanza. Gisteren kreeg Ardanza lik op stuk. Zijn collega Manuel Chaves, premier van de regionale regering van Andalusië zei dat de aanslag in Sevilla het bewijs is dat heel Spanje er mee te maken heeft. “Dit is geen conflict tussen Basken en Basken maar tussen de Spaanse democratie en het Baskische terrorisme”, beaamde Chaves.
Dat de Eta opduikt in Andalusië is niet zo vreemd. Vorig jaar werd ook al een aanslag gepleegd in Granada (waarbij een legerfunctionaris omkwam), en mislukte een aanslag op de burgemeester en een raadslid van de PP in de gemeente Rincon de la Victoria, dichtbij Malaga. Sindsdien gaat de politie ervanuit dat de Eta over voldoende infrastructuur in Zuid-Spanje beschikt om aanslagen uit te kunnen voeren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.