Dertigduizend nieuwe banen. Dat kan het gevolg zijn van een wettelijk recht op loopbaan-onderbreking in Nederland. België kent al een groot scala aan verlofregelingen. Critici in België menen dat de verlof-mogelijkheden de vrouwen 'terugbrengen naar het aanrecht'.
Pronkstuk van de Belgische verlofmogelijkheden vormt loopbaanonderbreking. Onder druk van de grote werkloosheid, destijds ruim tien procent, kwam de Belgische regering in 1985 met een wet op loopbaanonderbreking. Hierdoor krijgen werknemers de kans hun werk te onderbreken, ongeacht de reden, voor minimaal zes maanden en maximaal vijf jaar. Daar bovenop mogen werknemers gedurende eenzelfde periode voor de helft van de tijd werken.
Tijdens dat verlof ontvangen de werknemers een uitkering van de overheid. Voor voltijds-verlof bedraagt die tussen de 500 en 600 gulden, afhankelijk van het aantal kleine kinderen van de verlofnemer. Deeltijd-onderbreking geeft recht op de helft van die vergoeding. Daarnaast biedt de wet werknemers van vijftig jaar en ouder de mogelijkheid tot aan hun vut of pensioen in deeltijd te werken, tegen de vergoeding voor voltijds-loopbaanonderbreking
Voor Marie-Thérèse Lebrun (38), werkzaam bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in Brussel, is loopbaanonderbreking een uitkomst. In 1987 beviel ze van haar eerste kind. Na haar zwangerschaps- en ouderschapsverlof ging zij tot 1990 in deeltijd werken op grond van de zogenoemde sociale en familiale verlofregeling.
Die regeling stelt personeel in de publieke sector in staat om, zonder extra vergoeding zoals bij loopbaan-onderbreking en uitsluitend voor zorgtaken, maximaal vijf jaar in deeltijd te werken. Tot afgelopen mei werkte Lebrun weer gewoon voltijds, waarna ze tot en met oktober voor de helft van de tijd verlof opnam. Dit patroon: voltijds werken gedurende de wintermaanden en in deeltijd in de zomer, wil Lebrun de komende jaren herhalen. Deeltijd werken geeft haar door de week meer tijd voor haar kind en het huishouden. “In het weekend kan ik dan m'n batterijen opladen voor de rest van de week.”
Wat meespeelt bij de keuze van Lebrun is dat haar man in 1994 als zelfstandig staalbewerker is begonnen. Ze helpt haar echtgenoot nu en dan met zijn bedrijfsadministratie. Haar man doet 'het minimale' in het huishouden, maar dat vindt zij logisch. “Hij werkt toch ook erg hard.”
Een werknemer die op zijn vijfentwintigste met werken begint en op zijn zestigste met de vut gaat, zou wanneer hij maximaal gebruik maakt van zijn recht op loopbaanonderbreking, zijn werkend bestaan kunnen terugbrengen van 35 jaar naar 22,5 jaar. Dit komt echter zelden voor. Alleen voor werknemers in de publieke sector is de wet op de loopbaanonderbreking een recht. Voor de particuliere sector vormt de wet niet meer dan een kader waarbinnen vakbonden en werkgevers CAO-afspraken kunnen maken.
Werknemers in de metaalsector kunnen bijvoorbeeld alleen loopbaan-onderbreking opnemen voor de verzorging van hun kleine kinderen. Voor werknemers die niet onder een CAO vallen is er sinds 1994 een maximaal 'recht' op drie jaar loopbaan-onderbreking, ongeacht het doel van het verlof. Ondernemers mogen dit beperken tot hoogstens een procent van hun personeel.
Huishouden
In de praktijk zijn het vooral vrouwen die er gebruik van maken om meer tijd voor het huishouden te hebben. Zij vormen 85 procent van het totaal aantal verlofnemers - zo'n 52 000 per jaar. Voor Belgische vrouwen, vanwie twee derde een volledige baan heeft, is de noodzaak tot langdurig verlof in dat opzicht groter dan voor Nederlandse werkende vrouwen - vanwie slechts één op de drie een voltijds-baan heeft.
Tinne van Woensel, scholingsmedewerkster bij de grootste Belgische vakcentrale het Algemeen Belgisch Vakverbond (ACV), maakt wel een kritische kanttekening. “In de praktijk werkt loopbaanonderbreking meestal rolbevestigend, het brengt vrouwen terug naar het aanrecht.” De mogelijkheid van loopbaan-onderbreking lijkt maar weinig effect te hebben op de traditionele mentaliteit van de meeste werknemers. Vooral in de industrie kunnen mannelijke werknemers die hun loopbaan onderbreken voor zorgtaken, rekenen op spot en onbegrip van collega's, aldus Van Woensel.
Vanaf het begin van de regeling, in 1985, is het aantal mannelijke loopbaanonderbrekers altijd onder de tienduizend per jaar gebleven. Mannen maken vooral gebruik van de mogelijkheid om vanaf hun vijftigste in deeltijd te gaan werken.
Een kleine groep onderbreekt z'n baan om een eigen onderneming te beginnen. De wet op loopbaanonderbreking staat werknemers namelijk toe om maximaal een jaar geld uit zelfstandige activiteiten te verdienen naast hun vergoeding. Voor minister Melkert van sociale zaken, die startende ondernemers probeert te stimuleren, zou dit een interessant aspect van de regeling kunnen zijn. Van iedere duizend inwoners in Nederland zijn er slechts 28 ondernemer, tegen 49 per duizend in de Europese Unie.
De grootste kritiek op loopbaanonderbreking komt van de Belgische werkgevers. Werkgevers zijn verplicht een werknemer met verlof te vervangen door een werkloze. Daardoor kost het systeem de overheid geen extra geld, ze spaart immers een werkloosheidsuitkering uit voor iedere werkloze die op deze wijze aan de slag komt. Weigeren ondernemers een werkloze als vervanger aan te nemen, dan krijgen zij een boete ter hoogte van de uitkering aan de loopbaanonderbreker.
Moeilijk te vervangen werknemers, bijvoorbeeld topambtenaren en hogere verpleegkundigen, kunnen meestal geen gebruik maken van de regeling. “Verplichte vervanging door een werkloze druist in tegen het gezonde economisch verstand. Het kost ondernemers extra geld omdat werklozen bijgeschoold moeten worden en altijd minder produktief zijn dan de vaste krachten”, stelt Sonja Kohnenmergen, sociaal adviseur bij het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO).
Nederland kent maar één, onbetaalde, langdurige verlofregeling: het ouderschapsverlof. Deze regeling geeft Nederlandse werknemers met kinderen jonger dan vier jaar het recht om maximaal zes maanden in deeltijd te werken.
In zijn afgelopen najaar verschenen nota 'Om de kwaliteit van arbeid en zorg', kondigt minister Melkert dan ook een wetsvoorstel aan voor loopbaan-onderbreking. Op dit moment stelt de minister niet meer dan een wettelijke minimumregeling in het vooruitzicht. Bedoeling is slechts om die belemmeringen voor verlofregelingen in de vakantiewetgeving en de sociale zekerheidssfeer weg te nemen, opdat de sociale partners afspraken kunnen maken voor het sparen van loon en vakantiedagen ten behoeve van langdurig verlof.
Of het in Nederland ook komt tot een eventuele uitkering voor onderbrekers en verplichte vervanging door werklozen, wil de minister laten afhangen van een onderzoek. Daarmee moet hij echter haast maken want in de nacht voor het kerstreces bleek de Tweede Kamer ongeduldig: die nam een motie aan, mede ondertekend door Melkerts partijgenoot Karin Adelmund, die Melkert verplicht uiterlijk één mei dit jaar met een wetsvoorstel te komen.
Volgens schattingen van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid zou het Belgische model in Nederland ertoe leiden dat zo'n 95 000 werknemers per jaar hun loopbaan onderbreken. Dat zou ongeveer 31 000 volledige arbeidsplaatsen opleveren. Ter vergelijking: de minister tracht nu, met voorlopig tegenvallende resultaten, 40 000 Melkert-banen van 32 uur per week te scheppen gedurende de hele kabinetsperiode. Loopbaanonderbreking naar Belgisch model levert in een jaar grofweg hetzelfde resultaat op als Melkert nu in vier jaar probeert te bereiken.
Wanneer Melkert komt met slechts een wettelijke minimumregeling, komt de bal bij werkgevers en werknemers te liggen. “Wij zitten niet op loopbaanonderbreking te wachten, dat is duidelijk”, zegt L. van Hoogstraten, secretaris van werkgeversorganisatie VNO/NCW resoluut. “Ik denk dat de behoefte aan wettelijke loopbaanonderbreking groter is in België dan hier, waar meer werknemers in deeltijd werken.”
Uitkering
C. Inja, hoofd afdeling arbeid van de FNV, is het niet met Van Hoogstraten eens. “De Belgische regeling biedt aanknopingspunten. Daar wezen wij al op in 1993, in onze congres-nota Veelkleurige Vooruitzichten.” De FNV verlangt van de overheid een wettelijke regeling voor een uitkering op minimumniveau en verplichte vervanging door werklozen. In CAO-onderhandelingen wil de vakcentrale vervolgens afspraken maken over aanvullende financiering via het sparen van loon en vrije dagen en door een werkgeversbijdrage.
Hoewel de FNV waarschijnlijk kan rekenen op de vakbondsvleugel binnen de PvdA, onder leiding van haar ex-vice-voorzitter Adelmund, zouden liberalere PvdA'ers wel eens gekant kunnen zijn tegen uitbreiding van overheidsbemoeienis. Omdat de bonden zonder stevige wettelijke verankering van loopbaan-onderbreking erg zwak staan tegenover de werkgevers, nemen ze voorlopig een afwachtende houding aan. “De komende jaren geven wij prioriteit aan de 36-urige werkweek bij het CAO-overleg”, aldus Inja.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.