Het verhaal van de oorlogsjaren van de Heidemij hangt nauw samen met dat van ir. C. Staf. Hij wordt in april 1905 in Ede geboren in een familie van protestants-christelijken huize. Na zijn opleiding aan de Landbouwhoge-schooI in Wageningen komt de jonge Staf terecht bij de Nederlandse Heide-Maatschappij. Op zijn drieëndertigste werd hij daar adjunct-directeur, in april 1940 directeur en uiteindelijk een jaar later president-directeur.
Tijdens de oorlog bekleedt Staf verschillende nevenfuncties; hij was directeur van het Bureau Ontruiming Geïnundeerde Gebieden en het Bureau Aardappelverbouw. In juli 1941 wordt hij voorzitter van Culano (Commissie Uitzending Landbouwers naar Oost-Europa) en in 1943 wordt hij benoemd tot 'Gematigde voor de oogst'. Staf werkt, zoals veel bestuurders van Nederlandse bedrijven, samen met de Duitse bezettingsautoriteiten. Hoewel hij geen NSB-lid, noch pro-Duits gezind is, bevindt hij zich in het schemergebied van accommodatie en collaboratie. Toch kan hij na de oorlog ongestoord zijn carrière voortzetten. Hij wordt belast met de uitvoering van het landbouwherstel en benoemd tot waarnemend directeur-generaal van het ministerie van landbouw. In 1947 volgt zijn benoeming tot directeur-generaal. In datzelfde jaar vormen klachten uit het voormalig verzet en ongunstige berichten in de pers over Stafs gedragingen tijdens de oorlog aanleiding voor een gerechtelijk onderzoek. Maar volgens Staf was hij hoofd van Culano geworden om de Nederlandse voedselvoorziening niet in gevaar te brengen en de Heidemij uit Duitse handen te houden. Uit het verweer van Staf en verklaringen van zijn personeel blijkt dat er veel jonge onderduikers op Heidemij-projecten werkten, waardoor zij werden gevrijwaard voor tewerkstelling in Duitsland. In 1948 wordt Staf onvoorwaardelijk buiten vervolging gesteld. De officier van Justitie toont begrip voor het dilemma waarin Staf was terechtgekomen. Maar de Culano-documenten zijn in dat onderzoek niet meegenomen. Toevallig werd dit archief, vier dozen met correspondentie, pas in juni 1959 geïnventariseerd, één maand nadat Stafs politieke carrière als minister van Oorlog definitief was beëindigd. Tijdens de hoogtijdagen van de Koude Oorlog wordt de CHU'er Staf minister van Oorlog en Marine van 1951 (het tweede, derde en vierde kabinet-Drees) tot medio 1959 (het interimkabinet-Beel).
Na de zomer van 1959 ambieerde Staf geen enkele politieke functie meer. Opnieuw wordt hij president-directeur bij de Heide-Maatschappij, tot aan zijn pensionering in 1970. Drie jaar later overleed hij op 68-jarige leeftijd.
Volgens de historicus dr. L. de Jong wordt begin juli 1941 - twee weken na de succesvolle Duitse inval in de Sovjet-Unie - door dr. H. M. Hirschfeld, secretaris-generaal van het departement van Landbouw en Visserij, na overleg met ir. S. L. Louwes, directeur-generaal van de voedselvoorziening en de Duitse bezettingsautoriteiten, een Commissie tot Uitzending van Landbouwers naar het Oosten - ook wel Culano genoemd - opgericht. Louwes vroeg in het belang van de Nederlandse voedselvoorziening aan zijn vriend ir. Staf, directeur van de Heidemij, of hij voorzitter van deze commissie wilde worden. Staf ging akkoord en Hirschfeld keurde de gehele opzet goed. Het was de bedoeling dat een groot gebied in de Oekraïne aan de Nederlandse landbouwers zou worden toevertrouwd.
A. G. Treuhand Ost, de Duitse beheerder van de bezette gebieden in Rusland, blijkt voor de Nederlandse boeren 500 000 hectare (10 keer de oppervlakte van de Noord-Oost polder) te hebben gereserveerd. De werkzaamheden van deze Nederlandse landbouwers zijn in het belang van 'de graanvoorziening van ons eigen land en volk'. Zij zullen vakkleding ontvangen 'in den geest van het uniform der Nederlandsche Heide Mij'. Ook de Gewestelijke Arbeidsbureaus worden ingezet om geschikte kandidaten te werven. Enige duizenden boeren, onder wie een behoorlijk aantal werklozen, hebben zich aangemeld. Ze moeten een uitgebreid vragenformulier invullen. Op basis van hun agrarische en technische kennis en ervaring worden ze geselecteerd. Tenslotte blijven er enige honderden kandidaten over. Na een lichamelijk onderzoek en het bewijs van goed gedrag zijn ze geschikt voor uitzending.
Eind november 1941 - de snel oprukkende Duitse troepen zijn op dat moment slechts vijftig kilometer van Moskou verwijderd - is het afscheidsfeest van de eerste groep van honderd boeren in de met dennegroen versierde zaal van hotel Terstege in Oldenzaal. Het stafmuziekkorps van een Duits reservebataljon speelt vrolijke marsmuziek. Prominente Duitse ambtenaren, NSB-boerenleider Roskam en ir. Staf zijn aanwezig. Staf wees de boeren met nadruk op de opdracht om 'mede te werken aan de voedselvoorziening van Nederland'. Maar volgens een bericht van het door de Duitsers gelijkgeschakelde Algemeen Nederlandsch Persbureau (ANP), dat door de lokale kranten werd overgenomen, had hij nog meer gezegd: 'Zorgt er voor dat door de geest waarvan gij blijk geeft, ginds steeds groter gebieden aan Nederlanders worden toegewezen'.
Begin december 1941 en eind maart 1942 werden nog drie groepen van elk honderd landbouwers (vooral NSB-boeren van het Nederlands Agrarisch Front) vanuit Oldenzaal per trein naar het doorgangskamp Litzmannstadt, bij het Poolse Lodz, getransporteerd. Na een korte opleiding, ook leren ze met wapens om te gaan, worden de (assistent-)bedrijfsleiders bij grote landbouwbedrijven in Litouwen en Roethenie (Wit-Rusland) gestationeerd. Dit zijn voormalige kolchozen, Russische collectieve landbouwbedrijven met enorme lappen vruchtbare grond. Het aanwezige personeel, meestal Polen, maar ook Russische krijgsgevangenen, is weerbarstig. De meeste boerenbedrijven liggen in een onrustig gebied, de partizanen bevinden zich in de omringende bossen. De Nederlandse kolonist, uitgerust met pistool en jachtgeweer, moet voor zijn eigen veiligheid zorgen.
J. Scharringa, een ex-medewerker van de Heidemij, stuurt medio februari 1942 vanuit Riga lange brieven over zijn ervaringen aan Staf in Arnhem. Hij stelt met enig verdriet vast dat van de oorspronkelijk opzet een aaneengesloten 'Hollander-siedlung' te vormen, niets meer over is. De belofte door de Ostland (Berlijn) gedaan dat de Hollandse boeren de grondslag zouden leggen voor verdere kolonisatie en het verwerven van een eigen 'Lebensraum' is niet waargemaakt. 'Als werkelijk Hollandsche groep, als vertegenwoordigers van ons vaderland zijn wij niet meer hier. Op het ogenblik zijn wij te beschouwen als individuele in het Oosten tewerkgestelden'. Scharringa ervaart dit als een ontzettend fiasco. Verder klaagt hij over de slecht opgeleide landbouwers en de gebrekkige contacten met de verantwoordelijke Nederlandse en Duitse organisaties.
Enige weken later vertrekt Scharringa naar Holland, het is niet duidelijk of hij is ontslagen. Maar ook G. Hekkert uit het dorp Smolewitschi, in de buurt van de plaats Minsk, stuurt een teleurstellend bericht aan de directeur van de Heide-Maatschappij, ir. C. Staf: 'Het bedrijf waar wij zijn, is 900 ha en is ontzettend verwaarloosd en vuil. De koeien zijn zoo mager als brandhout en geven nog geen liter melk per dag. De toestand van de gebouwen is erbarmelijk smerig en wanordelijk en de honderden arbeiders die op het landgoed wonen in hutten zijn lui, zooals ik het nog nooit heb meegemaakt (...) Mijn vrouw en kinderen kunnen nog in geen vijf jaar naar hier komen, omdat er nog steeds partizanen zijn en zullen blijven. Wij zijn hier behoorlijk gewapend, maar veel helpt dit ook niet'.
Het filiaal van Ostland te Den Haag dringt er medio april 1942 bij Culano op aan nog zevenhonderd Hollandse arbeidskrachten - bedrijfsleiders, specialisten in de tuinbouw en boekhouders - te werven. Maar tot een nieuwe wervingscampagne is het niet gekomen. Inmiddels is een groot aantal Nederlandse kolonisten (ongeveer 250 man) naar Nederland teruggekeerd. Ze hebben wegens de slechte omstandigheden ontslag genomen of zijn als ongeschikt ontslagen. In mei 1942 zijn de 150 overgebleven boeren in vijf groepen verdeeld en naar landbouwbedrijven bij Minsk en Vilejka (Wit-Rusland) gestuurd. Eind mei 1942 worden vijf Nederlandse boeren op hun bedrijf door Russische partizanen overvallen en uitgekleed. Materiaal en gereedschap wordt meegenomen. 'Gott Sei dank nicht erschossen'.
Ruim een maand later loopt het slechter af. In de buurt van Vilejka bij de stad Minsk worden begin juli 1942 de eerste drie Nederlandse bedrijfsleiders door Russische partizanen gedood. In datzelfde jaar zullen nog zeker twintig 'onuitgenodigde' Nederlandse kolonisten sneuvelen. Het enthousiasme onder de resterende 'Oostboeren' is sterk bekoeld. De Nederlandse kolonisatie is een fiasco geworden en het Culano-debâcle is compleet. Ook de Nederlandse voedselvoorziening heeft er helemaal geen baat bij gehad. Inmiddels is ir. Staf in de zomer van 1942 al stilletjes vertrokken. Secretaris J. A. A. Hartman behartigt verder de belangen van Culano. Op 30 september 1942 wordt Culano overgenomen door de Nederlandsche Oost-Compagnie (NOC), een NSB-organisatie onder leiding van mr. M. M. Rost van Tonningen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.