Van een onzer verslaggevers AMSTERDAM - De hulpverlening aan zwerfjongeren in Amsterdam maakt van de nood een deugd. Per 1 januari is haar budget gehalveerd van 1,7 miljoen tot 950 000 gulden doordat het ministerie van welzijn onverbiddelijk de subsidiekraan heeft dichtgedraaid.
Gisteren maakte het zwerfjongerenproject een frisse start als Stichting zwerfjongeren Amsterdam. De enig overgebleven geldschieter, de gemeente Amsterdam, wilde één enkel aanspreekpunt dat jaarlijks verantwoording aflegt van de resultaten met de geschatte 1 300 zwerfjongeren in de hoofdstad.
De stichting gaat de activiteiten coördineren van het tiental stichtingen dat zwerfjongeren opzoekt, opvangt, ze een bed, brood en bad biedt of medische of psychische bijstand verleent. Aanzienlijk slanker, maar wèl beter: dat moet het resultaat worden van de nieuwe opzet. Concreet houdt dat in dat de stichting zich zal toeleggen op zwerfjongeren, die met vallen en opstaan de weg terugvinden naar een geregeld bestaan. De 'perspectiefvolle' zwerfjongeren en de zwerfjongeren die continu hulp nodig zullen blijven hebben, worden doorverwezen naar de reguliere hulpverlening.
Dat de problematiek van zwerfjongeren springlevend is, bewees de opkomst van 140 welzijnswerkers in plaats van de verwachte 60 à 70 bij een themamiddag gisteren, die de start van de stichting kracht bij zetten. “De zwerver zwerft, de hulpverlener ook”, concludeerde Rob Jezek, adviseur van het Amsterdamse zwerfjongerenproject.
Dat bleek ook in de talkshow over wat er voor zwerfjongeren nou precies nodig is. “Geld meestal”, antwoordde ex-zwerfjongere Patrick Kanne. De jonge gasten van Pension Maaszicht in Rotterdam willen volgens medewerker Anneke de Goede “maar één ding: geef mij een dak boven mijn hoofd en elke dag te eten. En stabiliteit, want vanuit labiliteit kun je niet werken. In Pension Maaszicht is daarom het aanbrengen van ritme in het dagelijks leven van de jongeren heel belangrijk. Plus dat er heel goed gekeken wordt naar wat een jongere nodig heeft, want de ene jongere is de andere niet. Als voorbeeld noemde De Goede een meisje dat nergens langer dan twee weken bleef omdat ze dan onrustig werd. Toen ze in Pension Maaszicht kwam, “konden de hulpverleners haar de rug op, want ze had er 25 gehad”.
De medewerkers van het pension Maaszicht hielden de hulpverleners af en lieten haar de paarden verzorgen. En nu, na twee maanden, heeft ze wat rust gevonden en begint ze uit zichzelf plannen te maken.
Volgens de cijfers zijn er veel minder zwervende meisjes dan jongens. Maar schijn bedriegt. Jongens zijn dakloos, meisjes zijn thuisloos. Ze zwerven van adres naar adres. “Het grote verschil is dat meisjes veel eerder meegenomen worden”, zei De Goede. “Meisjes hebben niet minder problemen dan jongens; ze zijn meer gesocialiseerd om voor anderen te zorgen. Ze koken voor het vriendje dat ze meeneemt, dat soort dingen.”
Ron Boot, coördinator van het Streetcornerwork in Amsterdam-centrum en Oud-West, zocht de onzichtbaarheid van zwerfmeiden in plattere zaken: Meiden maken gebruik van hun lichaam om wéér voor een maand of twee onder de pannen te zitten.
Zowel Boot als De Goede wezen met de beschuldigende vinger naar de kindertehuizen als voornaamste oorzaak, dat jongeren aan het zwerven slaan. Boot verweet de kindertehuizen een gebrek aan zelfkritiek en flexibiliteit om te veranderen.
Van de honderd jongeren in Pension Maaszicht zijn er twee of drie van huis weggelopen en de rest uit tehuizen, vertelde De Goede. Die jongeren klagen er stuk voor stuk over dat er in 'het instituut' hoge eisen aan ze werd gesteld, er niet naar ze geluisterd werd en ze moesten doen wat de hulpverlener zei.
Een medewerker van het Poortgebouw, een kindertehuis in Amsterdam, bestreed dat de meeste zwerfjongeren een tehuis-verleden hebben. “Internaten doen beter werk dan vaak gesuggereerd wordt.” Volgens hem moet de hulpverlening zich meer dan nu op preventie richten en zich meer bemoeien met gezinnen. Maar dat ligt gevoelig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.