*

 
dossier

Archief

Brief in een fles gevonden

ONNO BLOM − 02/01/97, 00:00

Stelt u zich eens voor, dat de postbode deze brief van de uitgever Geert van Oorschot niet op 29 maart 1956 bij de schrijver

A. Alberts in de bus had gegooid: “Beste Bert, wat ben je toch eigenlijk een vreemde man. Hoe lang is dat gedonder met De Vergaderzaal nu al aan de gang? Ik bedoel niet dat je het boek niet af kon maken. Zulke dingen liggen altijd in gods hand. (Hoewel ik van mening ben, dat met wat meer inspanning ook het schrijven wel wat spoediger had kunnen plaatsvinden). Ik bedoel wel, dat je mij nu bijna twee jaar achter elkaar voorliegt, dat het boek klaar is, dat je het ms. zal inzenden etc. etc. Eindeloos!” Zonder Van Oorschots schriftelijke terreur was Alberts' briljante roman 'De Vergaderzaal' misschien nooit verschenen.

Brieven van schrijvers - en soms dus ook van hun uitgevers - zijn vaak belangrijke tussenstations in de conceptie van een literair werk. Zo is van A. F. Th. van der Heijden bekend dat hij, voordat hij daadwerkelijk kan voortgaan aan zijn 'Tandeloze Tijd', zich moet 'losschrijven' in brieven aan vrienden. Pas als hij in zijn gekrulde, barokke handschrift de anekdotes en invallen die zijn hoofd vullen op die manier op papier heeft gezet, dan hebben zijn hersenspinsels een vorm gekregen die uitgangspunt kan zijn voor een passage in een van zijn romans.

Stellig heeft dit 'mechanisme van de omweg' ook gewerkt in de bekende briefwisseling die tussen 1930 en 1940 plaatsvond tussen de schrijvers Menno ter Braak en Eddy du Perron. “Je zult wel zeggen dat ik een epistolaire razernij heb”, schreef Du Perron aan zijn vriend in een brief van 11 februari 1931. Beide heren verschaften elkaar bijna dagelijkse munite voor hun literaire en, vooral, hun literair-kritische werk. Zo noemde Du Perron de criticus Dirk Coster in dezelfde brief een 'jammerlijke verschijning'. Een vooraankondiging van zijn 'Uren met Dirk Coster', dat vanaf 1933 in het tijdschrift Forum zou verschijnen. Een feuilleton waarin genoemde Coster, nu publiekelijk, met de grond gelijk werd gemaakt.

Het is niet verwonderlijk dat schrijvers de brief zelf tot literatuur hebben verheven. Vanaf de allereerste Nederlandse briefroman, 'De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart' die de dames Wolff en Deken in 1782 publiceerden, is de brief als volwaardig literair genre steeds herontdekt. Zo doorbrak Gerard Reve in de jaren zestig van deze eeuw een impasse in zijn schrijverschap door brieven naar het tijdschrift 'Tirade' te gaan sturen. Eén van die epistels was getiteld: 'Brief in een fles gevonden'.

Deze titel roept direct een romantisch, bijna sprookjesachtig beeld op. Reve moet zich daarvan bewust zijn geweest en hebben geweten dat hij lang niet de enige was die de titel had gebruikt. Het gedicht 'Brief in een flesch gevonden' van Slauerhoff, Neerlands meest romantische schrijver, begon zo: “Hij schiet op 't rif met volle zeilen / en is met vloed weer vlot geraakt, / maar zakte diep, en stond bij 't peilen / drie vaam in 't ruim, hij was gekraakt.” Een fraaie eerste strofe, die suggereert dat 'Slau' zelf deze regels in een fles uit een stampend en zinkend schip overboord zou hebben gezet. Maar hoe mooi ook verbeeld en opgeschreven, Slauerhoff zal - net als Reve en alle andere briefschrijvers - de brief eigenhandig op de bus hebben gedaan.

mailIcon print |