UTRECHT- Moesten ze nu gereformeerd, doopsgezind, remonstrants, of luthers worden? Of konden ze stiekem katholiek blijven en hun toevlucht zoeken tot een schuilkerk?
De inwoners van de Republiek der Verenigde Nederlanden hadden het er rond 1600 maar moeilijk mee. Gelukkig was het ook mogelijk om de keuze nog even uit te stellen, en 'neutralist' te blijven. Sommige twijfelaars sloten zich aan bij een sekte: spiritualisten, Coornhertisten, Arminiisten. “Het land is er vol mee als een zomer vol muggen”, schreef een inwoner van de Republiek in 1614.
De tentoonstelling 'Geloven in Verdraagzaamheid?' in het Museum Catharijneconvent in Utrecht, laat zien dat het traditionele beeld van een eensgezinde calvinistische Republiek moet worden bijgesteld. Er bestond een ratjetoe aan religieuze stromingen die elkaar voortdurend naar de kroon staken. Kunstwerken, bijbels en voorwerpen uit de zestiende en zeventiende eeuw moeten de religieuze analfabeet wegwijs maken in de godsdienstige wereld van toen. Wie heeft er ooit gehoord van Coornhertisten, Vorstianen, of David Joristen? De tentoonstelling legt het allemaal netjes uit.
De leer van de gereformeerde kerk werd op de synode van Dordrecht (1618-1619) vastgelegd in de Drie Formulieren van Enigheid, die door schoolmeesters, diakenen, ouderlingen, predikanten en hoogleraren onderschreven moesten worden. Maar de invoering van de Dordtse kerkorde verliep niet zonder problemen.
De katholieken gaven zich niet zomaar gewonnen. Ze verspreidden pamfletten en spotprenten waarin de gereformeerden werden zwartgemaakt. Een pamflet uit 1614 beschrijft het verhaal van een protestantse vrouw uit Veldhoven die door haar man in het geheim was begraven op een katholieke begraafplaats. Toen de bisschop daarachter kwam liet hij het lijk weer opgraven en zei: “Desen wolf en mach by onse Schaepkens niet blijven.”
Omgekeerd was de paus een geliefd mikpunt voor de spot van gereformeerde zijde. Een paneeltje van rond 1600 toont de kop van een paus, die in omgekeerde stand verandert in een gehoornde duivel met spitse oren. Door middel van een mechaniekje draait het schilderijtje eindeloze rondjes. Zo verandert de puntige kin van de paus steeds in de haakneus van de duivel.
De strijd werd op een intellectueel niveau uitgevochten tussen de leider van de Nederlandse katholieken, Rovenius, en de gereformeerde theoloog Voetius. Rovenius was apostolisch vicaris sinds de kerkprovincie Utrecht buiten werking was gesteld en gedegradeerd tot missiegebied. Hij beschouwde zichzelf als opvolger van de Utrechtse bisschoppen. Zijn handleiding hoe-bekeert-men-een-protestant-tot-het-katholicisme had veel invloed. Hij werd vol argwaan bekeken door Voetius, die een antipapist in hart en nieren was.
Voetius hield bevlogen colleges aan de Utrechtse Hogeschool waarmee hij de studenten op het rechtzinnige pad probeerde te houden. Zijn beroemdste leerling was Anna Maria van Schurman. Omdat ze als vrouw de colleges van Voetius niet mocht bijwonen werd er speciaal voor haar een gat in de muur gemaakt. Zo kon ze alles horen wat haar geliefde hoogleraar zei, zonder dat iemand haar zag.
Tijdens de Unie van Utrecht (1579) was besloten dat niemand om zijn religieuze overtuiging mocht worden vervolgd, maar in de praktijk bleek de tolerantie ver te zoeken. Vooral de doopsgezinden of wederdopers werden als staatsgevaarlijk gezien. De dopers hadden in 1534 Munster ingenomen om er een theocratisch godsrijk te stichten. De actie was geëindigd in een bloedbad en sindsdien werden doopsgezinden als oproerkraaiers gezien. Toch bleven ze op velen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen. Er werden talloze doopsgezinde gemeentes gesticht, vooral onder de Friezen. De wederdopers wilden een absolute scheiding tussen kerk en staat en weigerden het dragen van wapens. Hun leider was Menno Simons, een pastoor uit Witmarsum die zich in 1535 liet herdopen.
Ook de remonstranten hadden het zwaar te voorduren. Ze werden op de synode van Dordrecht uit de kerk gezet. Een deel van de remonstrantse predikanten moest het land verlaten en degenen die achterbleven werden fel vervolgd.
De schilderkunst probeerde tevergeefs op te roepen tot religieuze tolerantie. Op een schilderij uit het begin van de zeventiende eeuw maant Vrouwe Vrede de kerken tot verdraagzaamheid. Maar de godsdienstige leiders, die aan tafel zitten, lijken niet echt te luisteren: Calvijn kijkt verlekkerd naar een gebraden kalf en perst er een oranjeappel boven fijn, een verwijzing naar de verbinding tussen de calvinisten en het huis van Oranje. De paus, die met een aantal katten, ofwel katholieken, op zijn schoot zit trekt een afkeurend gezicht als Calvijn hem ook een oranjeappeltje aanbiedt. Ondertussen denkt de luitspelende Luther erover om zijn muziek, het teken van harmonie, te staken. Een wederdoper verschuilt zich in een hoekje en doopt zijn brood in een schaal met vleesnat. Ieder probeert zijn eigen zaakjes te regelen. De verzoening lijkt ver te zoeken.
Hoewel religieuze pluriformiteit een actueel thema lijkt, liggen de zalen van de tentoonstelling er nagenoeg verlaten bij. Een enkele oudere dame drentelt wat rond en leest secuur alle tekstbordjes. Verderop probeert een opvoedkundig correcte vader zijn dochters wat godsdienstige kennis bij te brengen. Helaas wordt het leerproces al snel gestaakt. De dochters bestuderen liever de gelaatstrekken van de afgebeelde personen. “Die kinderen kijken boos. Het lijkt wel of ze helemaal geen zin hebben om te bidden”, merkt een van de dochters op bij een schilderij van een familie die in gebed aan tafel zit. “Wel nee”, antwoordt de vader. “Ze kijken gewoon heel plechtig.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.