Engelsen zijn dol op sportwagens. Het liefst moeten die open zijn, niet meer ruimte bieden dan aan twee inzittenden, met een bakje voor de hond èn de rieten picknickmand achter de stoelen en onder het tonneau-cover. En open, met een klapperend kapje om in geval van regen toch droog te zitten. Want regen valt er in Engeland veel. Toch picknicken de Engelsen er niet minder om en de sportwagen laten ze evenmin staan.
Een vooroordeel? Ga op een doordeweekse dag een half uurtje op een druilerig Trafalgar Square in Londen staan. Noteer tot twee keer toe een Jaguar XK8, gesloten èn cabriolet, een Jaguar XK-150, een BMW Z3, een Fiat Coupé èn een Barchetta, en tot slot een Mazda MX-5. Toegegeven, het is niet allemaal Britse makelij, maar liefde voor zo'n spijkerhard zittende sportwagen hebben de Engelsen zeker.
Om mooie cabrio's te zien hoef je de komende weken niet naar Engeland. In de Kunsthal in Rotterdam staan in een aangename opstelling, veroorzaakt door architect Eric van Egeraat, nog geen dertig deels open, deels gesloten British Sports Cars, geselecteerd op hun design. Dat laatste wil zeggen dat in de meeste gevallen de ontwerper bekend is: variërend van fabriekseigen Britten als William Tows en Eric Neale tot Italianen (die vaak door de Britten zijn aangetrokken) als Giovanni Michelotti die bij Triumph onder meer de TR2 tekende, Pininfarina die door MG werd aangetrokken en allesdoener Giorgetto Giugiaro, dievan zonnebrillen en afzuigkappen bij Lotus de Esprit ontwierp. Sedert de jaren tachtig zijn de Italianen uit de gratie.
Jaguar en MG, twee merken die nog zijn overgebleven, doen het voortaan met eigen mensen, van Engelse afkomst dus. Met name Jaguar heeft veel succes met Geoff Lawson die de XKR Supercharged (een snelle versie van de XK8) bedacht, waarmee de retrostijl helemaal terug in de belangstelling kwam.
Over retro-zaken struikel je trouwens bij de nieuwe generatie ontwerpers. Ronde meters in het dashboard, kleine en geïsoleerd opgestelde achterlichtjes, rond geprofileerde wielbakken, het is er allemaal bij Jaguar, Aston Martin en MGF. Het leuke is dat je op een dergelijk overzicht in de Kunsthal ziet hoe weinig origineel de Engelse designers zijn. Want juist in de jaren vijftig en zestig, dus voor de Italiaanse golf, maakten ze zelf de mooiste sportwagens. Jaguar, Aston Martin, MG en Morgan wedijverden met elkaar in het aanbod van rondingen en verleidelijke vormen. Typische macho-ontwerpen in een welhaast geile omgeving van ronde koplampen die de bekroning vormen van een wellustig spatbord, chromen bumpers en spaakwielen. Het was de tijd dat de aerodynamische vorm nog niet door de windtunnel werd gedicteerd, de wigvorm bestond eenvoudig nog niet. Jaguar spande de kroon met de E-type, een relatief kleine two-seater met een neus van jewelste er voor. Morgan deed het nog eens dunnetjes over met de Plus-Four, waarbij zowaar iets van een treeplank is te zien (wie zei daar dat auto's zich uit de paard-met-wagen hebben ontwikkeld, bij Morgan vonden ze dat drie kwart eeuw na dato nog steeds).
Als er iets op deze verleidelijke show is aan te merken, is het dat er zo weinig excentrieke Britten zijn te zien. Natuurlijk, de grote merken als Jaguar, Aston Martin (wat was die toch zo beroemde auto in de jaren vijftig slecht afgewerkt met zijn vingerdikke kieren), Jensen, Triumph, Austin-Healy en MG komen keurig in beeld. Maar leuke auto's als AC, Alvis, Gordon, Fairthorpe, Berkeley, Warwick en Turner zijn er allemaal niet. En dan moet je het ook niet hebben over gedecapoteerde auto's als Hillman en Mini. Maar die rijden filegewijs rond. In Engeland, welteverstaan. Het mooiste automuseum is nog altijd de straat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.