Niet alleen examenkandidaten gaan twee spannende weken tegemoet. Hun familie, vrienden en geliefdes ook. Van de examenkandidaat moeten ze vaak allemaal hun mond houden, want ze hebben er toch geen verstand van. Examen doen, dat doe je in je eentje. Om ouders, familie en vrienden óók even het examengevoel te bezorgen, heeft Trouw aan de vooravond van het Centraal Schriftelijk Examen (CSE) een examenquiz voor buitenstaanders. De vragen gaan over een onbekende kant van het examencircus: de provinciale verschillen. In het gekozen vakkenpakket. In de keus voor een schoolsoort. Soms zijn het kleine, soms forse verschillen. De vragen moeten binnen 15 minuten af zijn. Spieken mag niet. Elk goed antwoord is één punt, en een voldoende begint bij zes punten.
a Noord-Brabant b Friesland c Zeeland d Drente
2. Of dat nu leuk is of niet, VBO en mavo staan bekend als de 'lagere' schoolsoorten en havo en VWO als de 'hogere'. In sommige provincies gaan jongeren vaker dan gemiddeld naar de twee lagere soorten. In andere gaan ze juist vaker dan gemiddeld naar de twee hogere. In welke provincies trekken VBO en Mavo meer klanten dan gemiddeld, en zijn Havo en VWO juist minder in trek dan gemiddeld?
a Drente en Overijssel b Utrecht en Groningen c Zeeland en Flevoland d Noord-Brabant en Gelderland
3. Over de keerzijde van de medaille zijn er ook zo wat ideeën. Waar in Nederland trekken jongeren massaler naar Havo en VWO dan gemiddeld, en juist minder dan gemiddeld naar VBO en mavo?
a Utrecht en Noord-Brabant b Overijssel en Flevoland c Zeeland en Zuid-Holland d Noord-Holland en Friesland
4. Er zijn vijf exacte examenvakken. Wiskunde A, wiskunde B, natuurkunde, scheikunde en biologie. Wie het abstractere wiskunde B doet, laat het concretere wiskunde A meestal zitten. Er zijn provincies waar al die vijf vakken vaker dan gemiddeld worden gekozen.
De vraag is: waar is dat?
a alleen in Friesland b Friesland en Groningen c Noord-Brabant en Limburg d Noord-Holland en Flevoland
5. Het omgekeerde van vraag 4 komt ook voor: provincie(s) waar 'exact kiezen' juist minder voorkomt dan gemiddeld. Dus: waar alle vijf exacte vakken minder in trek zijn dan gemiddeld. Waar is dat?
a Noord-Brabant en Limburg b Friesland en Noord-Holland c alleen in Zeeland d Zuid-Holland en Utrecht
6. Nu het alfa-pakket op het VWO. Dat is het vakkenpakket met Frans en Duits, de twee klassieke talen, plus aardrijkskunde en geschiedenis. In sommige provincies zijn zulke vakken meer dan gemiddeld in trek. In welke twee provincies denk je dat vijf van die zes vakken vaker dan gemiddeld worden gekozen?
a Utrecht en Noord-Holland b Drente en Overijssel c Zuid-Holland en Zeeland d Noord-Brabant en Limburg
7. In alle schoolsoorten is Nederlands een verplicht examenvak. Ook is één vreemde taal verplicht. Meestal is dat Engels. Op een toptien van de 'grootte' van een vak staan die vakken dus 1 en 2.
Nummer drie op de toptien is wiskunde. Economie (op VWO: Economie I) staat op nummer vier, behalve op het Voorbereidend beroepsonderwijs (VBO). Welk vak staat daar nummer vier?
a Biologie b Duits c Frans d Natuurkunde
8. De populariteit van een vak kan per schoolsoort flink verschillen. Neem bijvoorbeeld Mavo en Havo. Op allebei die scholen doe je in zes vakken examen. (Op het VBO ook wel, maar daar zijn twee van die zes 'beroepsgericht'. Vergelijken zegt daar dus niet zo veel). Voor welk vak is het enthousiasme op de Mavo véél groter is dan op de Havo? Bij welk vak is dat verschil het grootst?
a Biologie b Duits c Scheikunde d Aardrijkskunde
9. Spieken, een werkstuk door een ander laten maken, de antwoorden van een multiple choice overseinen: niets menselijks is de examinandus vreemd. Op welke schaal komt examenfraude voor? Dat wil zeggen, fraude die ontdekt en bestraft wordt?
a een op de honderd kandidaten b een op de vijfhonderd c een op de duizend d een op de vijfduizend
10. Er zijn drie manieren om een diploma te halen: op een dagschool (DS), in het volwassenenonderwijs (Vavo) en via een staatsexamen (SE). Maar de kans dat je slaagt is op die drie routes bepaald niet gelijk, blijkt uit de slaagpercentages. Neem bij voorbeeld de kans op een havo-diploma. Hoe lopen de percentages op die drie routes uiteen?
DS Vavo SE a 93 89 78
b 85 77 46 c 88 80 47 d 55 39 57
Alle vragen beantwoord? Draai de pagina om en bekijk de oplossing.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.