De Sovjet-soldaten moesten oprotten en de communisten moesten 'achter de schutting' verdwijnen, allemaal.
Dat riep de hartveroverende, jonge branieschopper Viktor Orban op die mooie dag in juni 1989. Mét Imre Nagy en zijn mede-strijders van de Hongaarse Opstand moesten ook de verwoeste dromen en aspiraties van generaties Hongaarse jongeren worden 'herbegraven', draafde de net afgestudeerde jurist door. Als een oude rot in de retoriek liet de 29-jarige rechtenstudent de ene beschuldigende volzin op de andere volgen, door geen greintje twijfel, podiumangst of onzekerheid gehinderd. Oude mannen en jonge vrouwen lagen aan zijn voeten.
Het is nu al niet meer voor te stellen dat Oost-Europeanen in juni 1989 nog verstijfden van angst en trilden van enthousiasme als zij een schallende stem het vertrek van de Russische soldaten hoorden eisen. “Hij zegt het gewoon, die Orban!”, kreunde een veteraan uit Boedapestse oppositiekringen. “Waarom zeggen wij zoiets niet?”
Het was een kwestie van leeftijd. De oude, intellectuele oppositie van Hongarije had de bloedige afloop van de opstand van 1956 voor altijd in de benen. Het hoofdstedelijk dissidentenmilieu was cosmopolitisch, anti-nationalistisch, literair, libertair, naar binnen gericht. Een vriendenclub van slimme studenten van de Eötvös Lórand-rechtenfaculteit had gewoon geen zin om voor die arrogante schrijverskwasten krantjes te gaan stencillen. Zij begonnen in 1988 hun eigen oppositie, een vrolijke, extraverte oppositie voor jongeren tot 35. En ze noemden zich de Jonge Democraten (Fidesz).
Viktor Orban zat in de eerste lichting en liet zich van begin af aan krachtig gelden. Net als de rest liep Orban gewoon in spijkerbroek rond, met lange haren en een ongeschoren kin. Maar bij hem ontbrak het speelse, hippie-achtige dat andere Fidesz-leiders van het eerste uur vertoonden. Hij was politieker, doelbewuster, minder aardig. Hij hield van het spreekgestoelte, speelde graag de baas en kón het ook.
Anders dan de meeste toonaangevende personen in Fidesz en SzDSz was Orban opgegroeid in de provincie, in het dorp Alcsutdoboz tussen Budapest en het Balatonmeer, in een boerenhuis zonder stromend water en wc. Orban weet zich een self-made man (tot op zekere hoogte: hij heeft iets te danken aan het onderwijsstelsel van de communisten en de private beurzen van de joods-Hongaarse emigrant George Soros) met stevige wortels in Magyaarse bodem.
In 1989 werden in Hongarije de eerste democratische verkiezingen sinds 1945 gehouden. De oude rotten van de intellectuele oppositie hadden zich georganiseerd in de partij van de Vrije Democraten (SzDSz). Alle Vrije Democraten en menige Jonge Democraat vond het voor de hand liggen dat SzDSz en Fidesz samen de verkiezingen in zouden gaan. Het waren toch allebei beschaafde links-liberale bewegingen, anti-communistisch maar wars van platvloers nationalisme, twee kanten van één medaille? Ze bezochten toch allemaal dezelfde demonstraties, conferenties en café's? Maar Orban en een paar naaste getrouwen voelden daar niets voor. Zij wisten iedere samenwerking met de oude rotten van de SzDSz te blokkeren.
Fidesz werd een aparte politieke partij, zonder een duidelijk onderscheiden program maar met een een eigen stijl, betrouwbaar democratisch, maar voor het overige zonder al te veel principes, gegrond in de brandende ambitie van een paar jongemannen, Viktor Orban voorop. In 1990 voerde Fidesz campagne met een affiche waarop bovenin de oude Brezjnjev en de oude Honecker elkaar kussen, terwijl onderop een jeugdig hetero-stel elkaar in het zonnetje platzoent. 'U mag kiezen', stond er onder. De meeste Hongaren stemden er toen nog niet op, maar ze hielden allemaal van Fidesz én van Orban.
De aankomende premier van Hongarije, Viktor Orban, is inmiddels 35 jaar. In de afgelopen jaren heeft hij zich waargemaakt als een politiek dier van het zuiverste water, met altijd de reuk van wat-de-modale-Hongaar-wil in de neus. Die neus trok hem naar rechts, in behoudend-nationalistische richting. Op centrum-rechts zat - na het uiteenvallen van een paar andere partijen en bewegingen - het gat in de kiezersmarkt.
De legende (die best waar kan zijn) wil dat Orban in 1993 bij het sterfbed werd geroepen van de toenmalige premier Jozsef Antall, een behoudende nationalist. Die zou de jonge Orban bij die gelegenheid hebben aangewezen als zijn geestelijke erfgenaam; na Antall moest Orban de centrum-rechtse banier verder dragen.
Deze legende, zijn altijd al ongewoon felle anti-communisme en zijn afkomst doen veronderstellen dat het niet alleen Orbans ambitie en neus waren, die hem naar rechts trokken. Orban is 'thuis' op rechts, meer dan vele partijgenoten van het eerste uur. Bij bosjes hebben ze Orban verlaten, toen hij koos voor recht, orde, gezin en de Hongaarse natie. Hij verloor er vrienden maar hij won er - zo bleek zondag jongstleden - kiezers mee, veel gewone, ontevreden Hongaarse kiezers.
Orban is, mogen we hopen, een democraat en geen racist, maar daar win je geen verkiezingen mee. 'Vreemd' noemde Orban onlangs de vorige regering, geleid door de ex-communist-Horn. En hij bedoelde 'niet-Hongaars'. Dat Horn zijn land de EU en de Navo heeft binnengeloodst, dat het land voor een hard-liberaal beleid wordt beloond met een overvloed aan buitenlandse investeringen, is mooi. Maar nou wordt het toch eens tijd dat de binnenlandse investeerder wordt geholpen, zei Orban vorige week in een televisiedebat. En trouwens, nu moet Hongarije onomwonden opkomen voor de Hongaarse minderheden in de buurlanden Roemenië en Slowakije, na jaren van delicate diplomatie door Horn.
Binnenkort wordt Orban premier, waarschijnlijk van een coalitie met de uitgesproken rechtse, populistische Partij van Kleine Boeren. Hij heeft, zonder veel dekking, de Hongaren werk, méér groei, meer politie en lagere belastingen beloofd. Nu moet blijken wat de Jonge Democraat kan als puntje bij paaltje komt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.