Guy P. Duffield, Nathaniel M. van Cleave, Woord en Geest. Hoofdlijnen van de theologie van de pinksterbeweging, Kok Kampen, ¿ 85,-
Daarom is het bij alle kritiek op dit boek toch sympathieker om met de positieve aspecten te eindigen. Kritiek dus. Om te beginnen gaat het hier om een theologie van 'de' pinksterbeweging. De hele pinksterbeweging? Geenszins, het is een boek waarin de belijdenis van de International Church of the Foursquare Gospel, in Nederland de evangelisch-charismatische Rafaëlgemeenschap, goeddeels geciteerd wordt, naast o.a. de Westminster Confession en de Westminsterse catechismus.
Inhoudelijk zijn de eerste driehonderd pagina's weinig interessant. Ze hadden, met enkele kleine aanpassingen, honderd jaar geleden ook geschreven kunnen zijn.
Het mag verbazen dat de vertaler, Evert van der Poll, niet halverwege zijn opdracht heeft teruggegeven. Ik houd hem voor een doorgaans weldenkend mens: gelooft hij dit nu echt allemaal? Hier is geen enkel gesprek met de moderne cultuur, alleen tijdloos gerangschikte citaten uit het grote orakelboek. Het bevestigt de wetenschappers die de pinksterbeweging beschouwen als een protest tegen de moderniteit.
Het zal de lezer nu niet meer verbazen dat er geen sprake is van een kritische bijbelvisie. Er wordt wel hier en daar ingegaan op aspecten van de 'hogere kritiek', maar we hebben hier toch echt te maken met onverbloemd fundamentalisme en grove inlegkunde.
En dan de feitelijke onjuistheden: ook daar is een lange lijst van te maken. De leukste zijn op p. 409: dat Clemens van Alexandrië zestig jaar na zijn dood nog publiceerde, terwijl paus Gregorius de Grote veertig jaar vóór zijn geboorte al zendeling in Bretagne was, hetgeen hij ook tijdens zijn leven nooit geworden is.
Voorts is het goed orthodox om in de Drie-eenheid te geloven, maar het is in onze tijd toch duidelijk dat je de Schrift geweld aandoet als je doet alsof dit dogma daar duidelijk in te vinden is. In ieder geval is er geen enkel gevoel voor de Wirkungsgeschichte van ideeën: alles stond al perfect in dat ene boek.
Je zou de auteurs willen aanbevelen eens een nacht te doorwaken met een zeker boek van W. F. Hermans, of althans eens op bezoek te gaan bij een pinksterman als Walter Hollenweger, in plaats van de rampenscenario's van Hal Lindsey serieus te nemen in exegese en praktijk.
Zo wordt het geheel helaas een soort mythologie, omgeven door een waas van schijngeleerdheid, die zo dicht is dat je toch de theologische discussies moet kennen om alle drogredeneringen te doorzien.
Op zulke rookgordijnen zitten we echter niet te wachten.
Onberispelijk lijkt het boek de lijn te trekken van rechtvaardiging naar wedergeboorte naar heiliging. Orthodox lijkt de verzekering dat de wedergeboorte niet door menselijke inspanning wordt ontvangen. Maar geloof is wel weer een menselijke activiteit: “gewoonweg geloof hechten aan Gods woord”.
Buikspreken
Zo zie je dat theologische diepgang niet bereikbaar is voor wie alleen de Schrift laat buikspreken en zijn eigen vooroordelen daarin terugprojecteert. En wie er nog naar zocht: over de vraag naar de relatie tussen Israël en de kerk, het jodendom en het christendom, klinkt hier natuurlijk geen woord. De kerkvaders worden methodisch misbruikt om het Oude Testament tot de kristallen bol voor het Nieuwe te degraderen.
Merkwaardig eigenlijk, dat de hele constructie van dit boek in feite is ontleend aan een klassiek protestants dogmatisch systeem, dat zo 'af' is en geen ruimte biedt voor de echte bijdrage van de pinksterbeweging: de ervaring van de Heilige Geest.
En daarmee komen we bij een heel positief punt dat duidelijk wordt dankzij dit boek. De klassieke schoen waarin de auteurs de pinksterbeweging proberen te wringen, past haar gelukkig geenszins. Als het boek de pinkster-ervaring in een goed theologisch kader wilde plaatsen en haar acceptabel wilde maken voor de theologisch ontwikkelde lezer, dan is de opzet wat mij betreft mislukt.
De dogmatiek waar men naar gegrepen heeft, heeft echter zelf geen boodschap aan de echte bijdrage van de pinksterbeweging aan het geloof in onze tijd. Dat blijkt al, als het in dit boek echt interessant wordt, ergens in hoofdstuk 6, waar de leer over de Heilige Geest en de charismata ter sprake komt. Het lijkt wel of het boek dan opnieuw moet beginnen en in feite is dat ook zo. Maar het wordt nu lezenswaard en bij tijd en wijle uiterst zorgvuldig, bijvoorbeeld als de gave van tongen niet tot exclusief toegangsbewijs voor het leven in de Geest gemaakt wordt en er ook geen nutteloze controverse rond de kinderdoop wordt geëntameerd (ook de doop in de Heilige Geest is niet aan een minimumleeftijd gebonden). Ik was aangenaam verrast bij deze sjibbolets.
Hoofdstuk 7, over de goddelijke genezing, is een bijdrage die in het geheel van de discussie over dit onderwerp gehoord dient te worden, al is het vreemd dat men zich zo exclusief concentreert op lichamelijke genezing, alsof er in de laatste 25 jaar niet juist op het terrein van de 'innerlijke genezing' het nodige is nagedacht en ontwikkeld.
Is dit laatste dan alleen een belangstelling van de kerkelijke charismatische vernieuwing, of is men aan pinksterkant (deze pinksterkant althans), in de lijn van het verzet tegen de moderniteit, bang voor een uiteenzetting met de menswetenschappen, met name de psychologie?
In de kerkelijke charismatische vernieuwing is overigens de kwestie van de lichamelijke genezing weer op een wat lager pitje terechtgekomen, vandaar dat dit hoofdstuk in het geheel van de discussie toch belangrijk is. Zo vinden wij toch uitzichten op boeiende aspecten van de pinksterbeweging die in dit Amerikaanse wanproduct helaas in een vreemd en niet passend korset zijn gestopt. Ik ben ervan overtuigd dat de Nederlandse pinksterbeweging meer te bieden heeft dan dit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.