*

 
dossier

Archief

Hirsch Ballin: Het gaat om beheersbaarheid en controle

LOUIS CORNELISSE − 02/02/96, 00:00

DEN HAAG - “Wat ik betreur? Dat ik niet heb doorgezet, dat er een centrale recherche voor de zware misdaad zou komen. Het compromis was het vormen van IRT's, en ik wist toen dat die teams tien, misschien wel twintig bazen zouden krijgen.”

Ernst Hirsch Ballin houdt de hele dag een soort zitting, thuis in Tilburg. De telefoon rinkelt onophoudelijk, maar hij moet eerst lezen wat de commissie-Van Traa allemaal beweert. Hij is voor één dag weer hoofdrolspeler, want Hirsch Ballin kan gezien worden als het eerste slachtoffer van de IRT-affaire. Als minister van justitie moest hij zijn politieke carrière in 1994 abrupt afbreken en sleepte in zijn kielzog de PvdA-minister van binnenlandse zaken Van Thijn mee.

Hirsch Ballin: “Tijdens de besprekingen over de lijn van het PvdA/CDA-kabinet bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit heb ik een strakkere recherche-organisatie geopperd. Maar meè, niet alleen de PvdA, was bang dat er een soort Nederlandse FBI zou ontstaan, waarover de beheersing moeilijk zou zijn. Het was een discussie tussen mensen die als bestuurders redeneerden en die de praktijk simpel wilden organiseren. Mij mag verweten worden dat ik akkoord ben gegaan met het standpunt van de eersten. Dat was verkeerd, hoewel ik denk, dat ik er toen ook niet veel anders had kunnen uitslepen.”

De CDA'er ziet de verwijten aan zijn adres in de loop van de dag alleen maar groeien. In het rapport staat: “De minister van justitie, Hirsch Ballin, blijkt nauwelijks op de hoogte te zijn geweest van het feitelijke gebruik van bijzondere opsporingsmethoden.”

Hirsch Ballin blijft eerst kalm, maar zegt dan: “Soms werd me heus wel wat gemeld, als het iets bijzonders was. Waar ik me nog boos over kan maken, is de toestand vlak na het opheffen van het IRT. Ik heb wel degelijk doorgevraagd, of die doorleveringen van drugs doorgingen. Dat was wel het geval, maar dat werd me niet gezegd. Er werd mij en de top van mijn departement gemeld, dat de methode werd afgebouwd.”

Hirsch Ballin is wel blij dat er aan de stroom (indianen-) verhalen rond het IRT een eind komt. Het is volgens hem een zegen, dat Van Traa een totaalbeeld heeft gegeven van de gang van zaken. “Die zogenaamde onthullingen steeds, waren 'verwoestend voor de verhoudingen', om met de Utrechtse korpschef Wiarda te spreken. Indirect werden wij als bewindslieden natuurliijk ook beschadigd. Ik heb het nogal eens zuur gevonden, dat door broedertwisten bij de politie, ook justitie erbij werd betrokken. Terwijl wij er helemaal geen zeggenschap over hadden, zoals iedereen weet.”

Trekt Hirsch Ballin het zich niet aan, dat de commissie tot de slotsom komt, dat er een 'crisis in de opsporing' is ontstaan? “Ik zou dat ernstig moeten nemen, als er sprake is van een crisis die paniek veroorzaakt. Dat is niet het geval. Het gaat om een bestuurskundige crisis en daar ben ik het van harte mee eens. Het klinkt wat al te analytisch, maar het is wel waar. Ik vind met de commissie dat de structuur moet veranderen, de normen benoemd en regels uitgevaardigd. Daar kan ik niet tegen zijn.”

Creëerde hij als minister ook niet de sfeer van: we gaan boeven vangen, hoe dan ook. Heeft dat zijn mensen van het openbaar ministerie en de politie te veel opgejut, als het ware uitgedaagd steeds verder te gaan. Hirsch Ballin moet daar om lachen. Volgens hem heeft hij niet veel meer gedaan dan het gevoelen van de gemeenschap en de wetenschap vertalen.

Zijn rol is veel te veel aangezet, vindt hij, en toestemming voor het overtreden van een wet heeft hij niet gegeven. Kijkend naar de televisie waar de bekende en beruchte strafpleiter Max Moszkovicz sr. hem hekelt, omdat Hirsch Ballin tot de 'rekkelijken' behoort om criminelen te pakken. “Ik zou me eerder ongerust maken, als deze advocaat me een compliment zou geven.”

Hirsch Ballin wil nog wel wat kwijt over het rapport. De commissie wil veel opsporingstechnieken aan banden leggen. Van het runnen van informanten tot het observeren van misdadigers aan toe.

“Waar ik wel gelukkig mee ben”, zegt de ex-minister van justitie, “is dat de commissie het gevaar van de georganiseerde criminaliteit niet heeft weggeredeneerd; minder blij ben ik met het dichttimmeren van opsporingstechnieken. Het gaat toch om de beheersing van de methoden. Daar gaat het om: beheersbaarheid en controle.”

mailIcon print |