In de aanloop naar de parlementsverkiezingen in december meldt zich een bonte stoet partijen: 'Ons Huis is Rusland', Liberaal-Democratische Partij, 'Grootmacht', 'Macht aan het Volk', 'Voorwaarts Rusland'en 'De Gemeenschappelijke Zaak', met uiteenlopende kandidaten als de schaakgrootmeester Karpov, generaal Aleksandr Lebed, de anti-politicus Vladimir Zjirinovski en regisseur Nikita Michalkov. Maar intussen is 'de intelligentsia' verdwenen en was al verdwenen. De politicoloog Hans Oversloot beschrijft de geschiedenis van de Russische intelligentsia. “De overwinning van Jeltsin in augustus 1991 was mede te danken aan de steun van de Moskouse intelligentsia. Daarmee heeft de intelligentsia mede het opbreken van de Unie bewerkstelligd. En daarna volgde de geschiedenis van een desillusie en de geschiedenis van de laatste verdwijning van de intelligentsia.”
In Nederland, voor eigen gebruik, bedoelen we er mensen mee die een hogere opleiding hebben genoten, soms aan de universiteit werken, in kranten schrijven, een beetje linksig zijn - maar ik kan me niet herinneren dat ik het woord de laatste jaren in Nederland heb horen gebruiken. Hier kon je 'intelligentsia' fatsoenshalve hoogstens ironisch gebruiken, want wie waren dat per slot, 'de intelligentsia', en wie durfde zich zonder blozen een lid van die intelligentsia te noemen. Veel te aanmatigend.
In het onnodig gebruik van het woord 'intelligentsia' is de schaduw van de oorspronkelijke betekenis van dit uit Rusland geleende begrip wel bewaard. Maar nu is in Rusland - in de vroegere Sovjet-Unie - de groep, de 'sociale laag', de manier van denken en doen waar het begrip voor stond aan het verdwijnen.
Wie of wat was de intelligentsia? Mensen met gewoonlijk een hogere opleiding; maar een hogere opleiding was niet genoeg. Iemand wiens denken en doen gericht waren op het bereiken van een hoge ambtelijke of politieke positie, of zo rijk mogelijk worden, was geen 'intelligent'. Zo iemand had misschien een 'intelligent' kunnen zijn, maar hij laat zien dat hij het niet is: een betrokken, kritische houding ten opzichte van 'de leiding' van de staat is vereist. Een hoog opgeleide technocraat, of een groot chemicus of beroemd fysioloog is daarmee nog geen lid van de intelligentsia: een 'intelligent' heeft een ruimere blik, heeft een gearticuleerde opvatting over de aard en de inrichting van de (betere) samenleving. En als wat je zegt en doet, moet worden begrepen als te zijn gezegd en gedaan uit hoofde van je officiële, ambtelijke of politieke taak of functie, ben je ook geen 'intelligent', althans spreek en doe je niet als een 'intelligent'. Een 'intelligent' is iemand die in ieder geval de mogelijkheid openhoudt tot hele of halve oppositie. De 'intelligentsia' is freischwebende Intelligenz.
Een 'intelligent' is het produkt van westerse scholing, nooit van kerkelijke scholing; de intelligentsia en de Russische orthodoxie verdragen elkaar slecht. Heel lang, tot ver in de negentiende eeuw, was westerse scholing voorbehouden aan de adel, op enkele uitzonderingen na.
Wie in Rusland een westerse opleiding had genoten bleef in de eerste plaats lid van de adel, intellectueel of niet. Wat er in Rusland door westerse scholing, door kennismaking met Europese opvattingen en ideeën geïnduceerde, regime-kritiek en opstandigheid was, bleef aanvankelijk binnen de - aan het hof gebonden - adel. Een afgeronde academische opleiding leverde zelf een adelstitel op. Er waren wel intellectuelen, er waren wel hoogontwikkelde systeem-critici, maar dat waren edelen, met wie het hof betrekkelijk makkelijk afrekende: het waren individuen, groepen van individuen, wier maatschappelijke positie overigens door hun positie in de adelstand werd bepaald.
Pas in de jaren '60 van de vorige eeuw krijgt het begrip 'intelligentsia' zijn sindsdien klassieke betekenis: er ontstaat een 'sociale categorie' van hoogopgeleiden, dikwijls - maar niet uitsluitend - van niet-adellijke komaf, wier verdere carriëre niet door hun afkomst is verzekerd, en die zich (ongevraagd) tot woordvoerder maakt van 'het volk', om wiens lot de statelijke, adellijke hiërarchie zich, volgens hen, te weinig bekommert. Dat zal - met in concreto wisselende inhoud - de kritiek van de intelligentsia blijven: in 'algemeen menselijke' en 'egalitair westerse' termen pleit zij bij, of desnoods in felle aanklacht tegen, de politieke top - de tsaar, de ministers en raadgevers van de tsaar, zijn gouverneurs - voor een verbetering van de positie van de 'vernederden en gekrenkten'.
Tot de intelligentsia behoorden aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw vele 'professionals' - hoogopgeleiden, soms met familiekapitaal achter zich, soms met adelstitel, veelal in elk geval met een (betaalde) positie die ook in economisch opzicht een zekere onafhankelijkheid van de top van de staatshiërarchie verzekerde: schrijvers, artsen, juristen.
Misschien is 'de intelligentsia' al eerder verdwenen, kort na 1917. De meeste 'intelligenti' kozen de kant van de Witten, of werden door de Roden bij de Witten, bij de vijand, ingedeeld wegens 'gebrek aan enthousiasme' voor de Rode Zaak, of wegens hun (vroegere) maatschappelijke positie. De 'oude intelligentsia' werd 'overwonnen', koos voor de emigratie (vluchtte), werd economisch afhankelijk, is in de kampen vermoord.
Misschien is de bolsjevisering in de burgeroorlog en in de jaren '20 en '30 zo ver gegaan, dat wat nu opnieuw verdwijnt, feitelijk al was verdwenen - zij het dat de herinnering aan de intelligentsia bij enkelen levend is gebleven en die herinnering in de jaren '60 van deze eeuw een nieuwe generatie, althans enkelingen, mee heeft gevormd. Er zijn in de jaren '60 wel weer 'intelligenti' opgekomen, maar er is nooit meer een echte intelligentsia ontstaan. Dat is één versie.
Er is een tweede, sovjet-marxistische versie. In die versie is de intelligentsia na de Oktober-revolutie niet verdwenen, maar 'gereconstitueerd'. In het sovjet-marxisme werd de intelligentsia ideologisch-juridisch ge(her)definieerd als het 'tussenlaagje' (proslojka) van 'hoofdarbeiders', van mensen met een voortgezette vorming, met kennis op het gebied van techniek, van wetenschap of cultuur. Samen met de 'bevriende klassen' van arbeiders en boeren werkten zij aan de opbouw van het socialisme. Volgens de eigen definitie moest ook de hoogste leiding van de communistische partij en -staat tot de 'intelligentsia' worden gerekend (die leiders waren immers al lang geen boeren en arbeiders meer en de pretentie was dat zij, schoon dikwijls zonder hogere formele scholing, toch het 'wetenschappelijk socialisme' meester waren), maar toch, als de opperste leiding over de intelligentsia sprak, sprak zij niet over zichzelf: zij spraken voor het 'gehele volk', en in de eerste plaats namens de klassen van boeren en arbeiders.
Met de ondergang van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (1991) is ook de intelligentsia - in de omschrijving zoals te vinden in de grondwetten van Stalin en Brezjnev - verdwenen. De intelligentsia werkt niet meer mee aan de opbouw van het socialisme: het socialistische project zelf is opgegeven.
Pas een volgende omschrijving van de intelligentsia laat in de jaren '90 van deze eeuw een derde verdwijning toe.
Chroesjtsjov gaf in de late jaren '50 ook (een deel van) het denkend deel der natie weer wat ruimte om te ademen. Er was incidenteel en onder toezicht weer enig contact met de vijandige buitenwereld mogelijk. Leden van de oude, voorrevolutionaire intelligentsia leefden nog, en vonden een beperkt, privaat gehoor. Er verschenen opnieuw, zij het mondjesmaat, 'onorthodoxe' boeken, boeken over westerse kunst van het eind van de negentiende en begin twintigste eeuw. Doedintsevs Niet bij brood alleen kwam door de censuur, maar Dokter Zjivago niet.
'Extremiteiten' van het stalinistische regime mochten voorzichtig worden bekritiseerd - maar de hoogste politieke leiding wilde geen 'ondienstige' systeemkritiek. De partij wenste 'in vrijheid gegeven steun' van 'de intelligentsia', maar twijfelde aan de loyaliteit van sommige leden van de intelligentsia, vreesde voor het (opnieuw) ontstaan van een intelligentsia die zich niet langer zou voegen, die een eigenstandige positie zou proberen te verwerven, die zou kunnen gaan denken dat zij op eigen gezag voor zichzelf of voor 'het volk' zou mogen spreken, los van de partij en haar instituties, en dus tegen de partij, het volk, en het socialisme in.
In 1966 werd met de veroordeling van de schrijvers Andrej Sinjavski en Joeli Daniël tot zeven en vijf jaar strafkamp de lijn opnieuw getrokken. Publiceren mocht alleen met goedkeuring, goedkeuring verdiende alleen wat dienstig was, en wat dienstig was bepaalde uiteindelijk de partijleiding. Ook Solzjenitsyn kon zijn publicitaire plannen in Rusland verder wel vergeten.
Een deel van de intelligentsia wist zich sindsdien zo niet tot het kamp dan toch tot de keuken veroordeeld: wie zich niet aan de nieuwe orthodoxie aanpaste was een inakomysljasji, een 'andersdenkende', een dissident. Wie zich als andersdenkende niet stil hield (buiten zijn eigen keuken kwam) liep de kans als dissident te worden veroordeeld of werd gedwongen te emigreren.
Er zijn niet zo heel veel dissidente activisten geweest; het hangt er van af hoe men 'activisme' omschrijft. Als men de lezers van verboden literatuur rekent (samizdat en tamizadat) misschien tienduizenden, misschien honderdduizenden, niet meer dan een paar promille van de bevolking. (Tot de verboden literatuur behoorden niet alleen de verhalen uit Stalins kampen van Sjalamov of de geschriften van dissidenten uit de jaren '60, '70 en '80 of Negentienvierentachtig, maar ook werk van Russische filosofen van begin deze eeuw, van leden van de voorrevolutionaire Russische intelligentsia als Berdjajev en Solovjov).
De dissidenten vormden ook niet één beweging; er waren religieuze dissidenten van verschillende confessie, nationalisten, mensenrechten-activisten. De laatsten hebben de dissidente beweging misschien - van verre - haar aanzien van eenheid gegeven, omdat zij ook voor 'de anderen' opkwamen. Zij en hun sympathisanten zijn misschien bij uitstek de 'erfopvolgers' geweest van de waarden van de voorrevolutionaire intelligentsia; zij hebben 'de intelligentsia' in haar oorspronkelijke betekenis hersteld.
Het communistische regime heeft zijn intelligentsia - intelligentsia volgens de sovjet-definitie - altijd scherp in de gaten gehouden: uit die kring zou immers gearticuleerd verzet kunnen komen. Geen opleidingsinstituut zonder verklikkers, in elke klas wel een paar. Lidmaatschap van de Komsomol was feitelijk voorwaarde voor een plaats op universiteit of hogeschool. En in de faculteiten direct aan het 'ideologische front' (humaniora, filosofie) was het toezicht het strengst.
Het regime had zijn intelligentsia nodig, haar ingenieurs, filosofen, schrijvers, politieke economen, fysici, artsen. Het gaf zijn intelligentsia een plaats, verzekerde haar een positie, voedde haar, knechtte haar, trachtte de intelligentsia te houden op de haar door het regiem toegedachte plaats. Boven een zeker niveau, in de leiding van een staatsonderneming, op het niveau van een (onder)directeur van een onderzoeksinstituut, als (hoofd)docent op een universiteit, waren posities nomenklatoera-posities. Zonder vermelding op de 'carrièrelijst' van de betreffende partij-organisatie kwam je er niet. Waar de nomenklatoera begon was afhankelijk van de aard van de onderneming, het soort werk. Voor de benoeming in een positie van een zeker gewicht - in politieke functies, maar ook in niet politieke functies in de uitoefening waarvan politieke loyaliteiten gemakkelijk een kwestie zouden kunnen worden - was de goedkeuring van 'de partij' vereist. Als 'de partij' - op haar niveau - nee zei was het nee; tenzij er om bijzondere redenen een 'beroep' openstond op een hoger partij-gremium. Boven een zeker niveau was lidmaatschap van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU) voorwaarde voor verdere carrière en werd men 'één van ons'. (Het was niet omgekeerd: niet elk lid van de partij was dus, om die reden, lid van de 'nomenklatoera'. Het partijlidmaatschap verzekerde geen positie in de 'nomenklatoera'.
Er waren zelfs posities, 'nomenklatoera-posities', die alleen door niet-leden van de partij konden worden vervuld, om de socialistische fictie dat het land werd bestuurd door een coalitie van de partij en van partij-lozen in stand te kunnen houden, om te kunnen volhouden dat de Russisch-Orthodoxe kerk 'zelfstandig dienstig' was aan de belangen van 'het volk', 'het proletariaat', 'de wereldvrede'. Flauwekul natuurlijk: over kandidaten voor topposities in de kerk werd door het politbureau beslist.)
Niet elk partijlid was één van ons, en enkele niet-partij-leden waren 'zeer van ons' en behoorden dus wel tot de uitgelezen groep van nomenklatoersjtsjiki (de op een nomenklatoera-functie benoemden). Wie, intelligent, tot de nomenklatoera behoorde, was in de niet sovjet-marxistische betekenis van het woord geen lid van de intelligentsia, het lidmaatschap waarvan immers een zekere afstand van en de mogelijkheid van (stille) kritiek op 'de machthebbers', de partij en 'het regime' impliceerde.
Na de dood van Stalin kreeg de sovjet-intelligentsia weer wat ruimte. De partij gaf haar waarheidsaanspraak, haar waarheidsmonopolie, niet op, maar dicteerde minder, liet wat meer ruimte voor eigen initiatief van schrijvers en kunstenaars; maar niet voor oppositie en met voorbehoud van het recht van oordeel en selectie. De partij bepaalde uiteindelijk altijd de grenzen van het toelaatbare, bepaalde wat dienstig was voor de partij, voor het volk, voor het socialisme. De intelligentsia was een medestander die een zekere vrijheid moest worden gelaten om als medestander dienstig te kunnen zijn, maar van de loyaliteit van een intelligent was je nooit zeker. Sommige kunstenaars, sommige auteurs, waren onbetrouwbare bondgenoten en telkens weer bleek de noodzaak van toezicht. De 'eigenstandigheid' van schrijvers en kunstenaars kon 'het socialisme' ook schaden. Boris Pasternak schaadde het door publicatie (in Italië) van Dokter Zjivago, Ernst Neïzvestni besefte niet waar schilderkunst ophield en de staart van de ezel begon, Solzjenitsyn wist geen maat te houden, en Andrej Sinjavski speelde dubbel-dubbelspel door Picasso te propageren onder het mom van kritiek, en door voor allen zichtbaar thuis de betrouwbare literatuurhistoricus te spelen, terwijl hij onder pseudoniem in het buitenland zijn andere, ware aard toonde.
Sinds de jaren '60 - het proces tegen Sinjavski en Daniël kan als breekpunt gelden - waren er twee definities van 'intelligentsia', twee zelf-definities ook: de sovjet-marxistische en de negentiende-eeuwse, dat wil zeggen de loyale intelligentsia van hoogopgeleiden, en de kritische intelligentsia.
Binnen de 'sociale laag' der intelligentsia, intelligentsia dus volgens de sovjet-definitie, herstelde zich de 'oude' zelf-definitie van intelligentsia: intelligentsia als het weldenkend en dus regime-kritische deel der natie. De 'nieuwe oude' intelligentsia kende overigens geen formeel opleidingscriterium: houding, wijze van zien, wijze van zijn waren belangrijk. Er behoorden ook ongeschoolden toe; denk aan iemand als Anatoli Martsjenko. (Op jeugdig non-conformisme stond onder meer als straf dat verdere scholing onmogelijk was: iemand die zich al jong als een 'negentiende-eeuwse' intelligent gedroeg kon zich formeel nooit meer voor de sovjet-definitie van 'intelligent' kwalificeren.)
De oppositie was goeddeels stil, veroordeeld tot de keuken. En in de keuken tikten ze het werk van Nabokov en Solzjenitsyn over, vertelden de laatste grappen (anekdoty), en probeerden te verzinnen op welke manier X, die als enige 'politieke' in een strafkamp met verder alleen misdadigers zat, zou zijn te helpen: cognac voor de bewaarders, shag-tabak en thee voor X - goede thee is goud waard in het kamp, kun je een verdovend middel van brouwen, tsifir.
De intelligentsia had zijn grote mannen, Aleksandr Solzjenitsyn, Andrej Sacharov. Sacharov, die van de officiële, gelauwerde intelligentsia - lid van de Academie van wetenschappen van de USSR - was overgestapt naar de 'zelfbenoemde' intelligentsia, die van de kritische ('partij- en volksvijandige') intellectuelen.
Gorbatsjov kreeg in zijn poging tot 'liberale hervorming' een goed deel van de officiële intelligentsia mee en een goed deel van de 'zelfbenoemde'. Sterker: zelfs een deel van de nomenklatoera ging zich als deel van de 'ware intelligentsia' gedragen. Sommigen hunner verzonnen nog wat later ook een 'kritisch verleden'.
De overwinning van Jeltsin in augustus 1991 was mede te danken aan de steun van de (Moskouse) intelligentsia. (Althans de intelligentsia beschouwde Jeltsins overwinning mede als haar overwinning.) Daarmee heeft de intelligentsia mede het opbreken van de Unie bewerkstelligd. En daarna volgde de geschiedenis van een desillusie en de geschiedenis van de laatste verdwijning van de intelligentsia.
De intelligentsia is een 'macht' en marge gebleken - het eeuwige lot van de intelligentsia, zou je kunnen zeggen, en dus geen 'factor' die tot de verdwijning van de intelligentsia zou hebben kunnen bijdragen. Maar dat is niet het hele verhaal. De intelligentsia had in 'het nieuwe regime' geïnvesteerd, had er haar hoop op gevestigd. Zij is in de nieuw constellatie 'overbodig' gebleken - en zij is ontevreden over wie zij mede aan 'de macht' heeft geholpen. Haar desillusie kan er niet in zijn gelegen dat niet zíj de nieuwe leiders zijn geworden (maar het 'tweede' en 'derde echelon' van de vroegere nomenklatoera). Immers, de 'zelfdefinitie' van de intelligentsia sluit feitelijke deelname aan 'de macht' uit. (De intelligentsia had altijd in de schaduw van 'de macht', zij was de elite die het niet voor het zeggen had.)
Een lid van de intelligentsia verliest zijn positie in die 'stand' als hij deel gaat uitmaken van de uitvoerende macht. Alleen een kritische positie als volksvertegenwoordiger is verenigbaar met een duurzaam 'lidmaatschap' van de intelligentsia, zoals eerst Andrej Sacharov en nu Sergej Kovaljov. (Sergej Kovaljov is lid van de Doema, de Russische Tweede Kamer, en speciaal rapporteur inzake mensenrechten.)
Een 'intelligent' is nooit een technocraat en nooit een bureaucraat. En een 'intelligent' kan nooit een deel van de bevolking afschrijven - zoals oud-waarnemend-premier en leider van 'Ruslands Keuze' Jegor Gajdar 30-40 miljoen mensen afschrijft, omdat zij een last vormen voor een 'goede economische politiek'. De intelligentsia is niet teleurgesteld omdat anderen dan zij 'de macht' hebben geërfd; zij is wel teleurgesteld over wat zij, in vrijheid, en marge nog vermag, en zij is geschrokken van wat zij heeft teweeggebracht.
Zij heeft geen deel (meer) aan de macht, maar heeft ook geen vaste oppostierol meer - want oppositie waartegen, of beter misschien: oppositie ten dienste van wie? En misschien heeft de intelligentsia, achteraf, haar belang wel altijd overschat: zij heeft geen zelfvertrouwen en geen vanzelfsprekende positie meer.
Er is een tweede factor die tot de laatste verdwijning van de intelligentsia heeft bijgedragen. De nieuwe sovjet-mens, de socialistische Unie-burger die geen nationaliteit meer kende is er nooit gekomen. Maar voor leden van de intelligentsia was het nationale onderscheid lange tijd minder belangrijk; de dominante cultuur was de Russische cultuur, maar die cultuur was tot op grote hoogte transnationaal, niet aan ras, nationaliteit of geboorteland gebonden.
Voor de intelligentsia was het gemakkelijker elkaar te verstaan over de interne grenzen van de Unie heen dan voor het 'gewone volk', de narod. Het culturele imperialisme, zo zou je het ook kunnen noemen, was sterker in de sfeer van de 'hoge cultuur', in de wetenschappen, de techniek, de filosofie, dan daarbuiten. (Een Oezbeekse hoogopgeleide 'nationalist', bijvoorbeeld, stuurde zijn kinderen gemeenlijk naar Russische scholen en instellingen van hoger onderwijs: daar viel wat te lezen en zo viel er carrière te maken ten dienste ook van de 'nationale zaak'.)
De Russischtalige intelligentsia is met de ondergang van de Unie een deel van haar aanspraken kwijtgeraakt: (a) zij woont soms fysiek in een nieuw-zelfstandige republiek (Oekraïne, Kazachstan), maar leeft in een andere, Russische, 'geestelijke ruimte' (doechovoje prostranstvo). Die geestelijke ruimte is echter door het opbreken van de Unie niet langer vrij toegangelijk. Om één voorbeeld te noemen: in Kiev worden per maand misschien drie, vier interessante boeken in het Russisch gepubliceerd; in Moskou elke maand tientallen; en die boeken zijn door de verschillen in welstand tussen de verschillende republieken en door de kosten van distributie niet meer buiten de eigen republiek (buiten de eigen hoofdstad) te koop.
Een derde factor die tot de laatste verdwijning van de intelligentsia bijdraagt: de intelligentsia stond kritisch tegenover 'de machthebbers'. In de opvolgerstaten heeft een deel van de intelligentsia de kant van 'de nieuwe machthebbers' gekozen. (Bijvoorbeeld: Russischtalige intelligenti die de kant van de Oekraïense staat hebben gekozen, en soms zelfs steun geven aan een politiek van Oekraïnisatie.) Zij zijn gosoedarstvenniki geworden, dat wil zeggen, zij zijn 'actief loyaal' geworden aan hun (nieuwe) staat. En hoewel ook daar intellectuelen, leden van de (vroegere) intelligentsia, niet zelden zijn teleurgesteld in het politieke bedrijf van hun staat, heeft hun keuze aan het opbreken van de 'oude' intelligentsia bijgedragen.
De intelligentsia had in de sovjet-periode een zeker begrip voor het culturele nationalisme van 'kleinere volken' en zelfs voor het nationale zelfstandigheidsstreven van een aantal volken, vooral voor het zelfstandigheidsstreven in de Baltische Unie-republieken. In beperkter kring kwam men zelfs op voor vanwege nationalisme of geloofsovertuiging vervolgden. Maar ook wie vroeger opkwam voor de rechten van individuen met andere nationalistische en religieuze aspiraties ziet nu in de nationalismen die zich van hun 'eigen staat' trachten te bedienen en in religies die zich tot nieuwe staatsgodsdiensten trachten te verheffen, integendeel vaak een bedreiging voor de algemeen menselijke waarden die 'de intelligentsia' voorheen - althans in de herinnering - altijd heeft verdedigd. De intelligentsia is daardoor verdeeld geraakt. Vroeger kon men ondanks alle verschillen van opvatting nog denken dat men uiteindelijk aan dezelfde kant stond, nu heeft men geen gemeenschappelijke vijand meer en vrienden van vroeger zijn elkaars tegenstanders geworden.
Tot de laatste verdwijning van de intelligentsia heeft nog een vierde factor bijgedragen. Het sovjet-regieme, de Partij, had de intelligentsia nodig - niet de regime-critici, maar de hoogopgeleiden, de kernfysici, de artsen, dorpsonderwijzers, filmregisseurs, schrijvers, filosofen. De intelligentsia als 'sociale laag' werd door het regime onderhouden.
Maar door 'de transformatie' (naar wat?) heeft de intelligentsia haar sociale en economische zekerheid verloren. Zij is niet de enige 'sociale groep' wier positie door 'de transformatie' is aangetast, maar zij lijdt in het bijzonder onder sociale en economische degradatie: de bedragen die voor (natuur)wetenschappelijk onderzoek worden uitgetrokken zijn gedecimeerd; onderzoeksinstituten op het gebied van de humaniora zijn gesloten; de staatsbijdrage aan de volksgezondheid fors verminderd; de financiële bijdragen van de staat aan hoger, middelbaar en lager onderwijs zijn uiterst karig. Dit is niet alleen in Rusland het geval, maar ook bijvoorbeeld in Wit-Rusland, de Oekraïne, Kazachstan.
De communisten hebben een systeem van massa-educatie onderhouden; de kwaliteit van het lager en middelbaar onderwijs ten plattelande en in de 'kleine' provinciesteden bleef vaak ver achter bij de kwaliteit van het onderwijs in de grote steden, maar nu gaan plattelandsscholen eenvoudig dicht - leerplichtigen moeten maar zien. Onderwijsgevenden behoren tot de laagstbetaalden en bovendien tot de gesalarieerden met de langste betalingsachterstand. Maand-lonen die in 1993-95, een periode met hoge tot zeer hoge inflatie, vaker niet dan wel op tijd werden uitbetaald. De auteursvergoedingen voor boek- of tijdschriftpublikaties zijn - met de opla-gen - sterk gedaald.
Daar staat tegenover dat in de grote steden particuliere of semi-particuliere scholen zijn opgericht die hun onderwijzers en docenten beter betalen; maar die scholen zijn maar voor een beperkt aantal leerlingen financieel toegankelijk, en ook daar zijn de salarissen bescheiden. Een aantal jonge onderzoekers vindt (tijdelijk) een baan in het Westen en verdient daar relatief veel geld; anderen zijn geëmigreerd. En een deel van de 'voorheen kritische intelligentsia' is in zaken gegaan; zij hebben mogelijkheden gezien - en hebben de intelligentsia verlaten. Zij zijn uiteraard niet opgehouden hoog opgeleid te zijn, maar hun dagelijkse zorgen zijn andere geworden, zij zijn in hun nieuwe maatschappelijke positie geen leden van de intelligentsia meer.
Er is geen sociale groep meer tussen 'regime' en 'volk', geen groep meer die voor het volk (nooit namens het volk) het regime bekritiseert en zichzelf daarom acht en door anderen in ieder geval wordt gezien. Het proces van atomisering en sociale herordening dat thans in Rusland en andere opvolgerstaten van de Unie aan de gang is, betekent tegelijkertijd de laatste verdwijning van de intelligentsia, niet van intellectuelen, maar van de groep en roeping die ooit, en tot voor kort opnieuw, 'intelligentsia' kon heten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.