Ze hebben een drukke week achter de rug, bij de post Hoek van Holland van de Koninklijke Nederlandse Reddingmaatschappij (KNRM).
Het Noorse vrachtschip Linito kapseisde bij Vlieland, de Nova 1 kon slechts met moeite Delfzijl bereiken, de Britse Forth Bank raakte in problemen, en dan was er nog het bemanningslid van De Gebroeders Luden uit Lauwersoog dat over boord sloeg en pas uren later uit het koude zeewater kon worden gered. Twee Duitse redders werden niet meer gevonden.
Niet dat schipper Jan van der Sar van de Hoek van Hollandse Javazee heeft meegedaan aan ook maar een van de acties. “Maar dat wil niet zeggen dat het allemaal langs je heen gaat. Als onze collega's in het noorden aan het werk zijn, luisteren wij mee. En als je van kanaal 16 oppikt dat er een van de mannen in het water ligt, blijf je op je post om te horen hoe het afloopt. Sterker, ik ben een paar keer naar de haven gelopen om op onze Javazee de Navtex te raadplegen, de telex waarop de posities en andere gegevens worden doorgegeven. Je bent er niet bij de zoekactie, maar eigenlijk ben je er heel dicht bij. En zo gaat het iedere keer.”
Jan van der Sar (36) is de eerste schipper van de Javazee. Samen met Henk Post, die binnenkort met pensioen gaat, geeft hij leiding aan een groep van twaalf zogenaamde opstappers, vrijwillige bemanningsleden die op afroep komen opdagen.
Het maakt niet uit of hun pieper 's nachts, op kerstavond of op de verjaardag van een van de kinderen gaat: als het moet zijn ze binnen vijf minuten bij het boothuis.
Van der Sar was op zijn veertiende al actief bij de reddingsbrigade op het strand van Hoek van Holland, waar hij als puber afgedreven zwemmers uit zee opviste.
“Ik vond het gewoon prachtig om als klein jochie met zo'n grote toeter over het strand te lopen, maar toen al had ik ook het gevoel dat het een eer was iemand in nood te redden.”
“Het is natuurlijk moeilijk te omschrijven wat precies de drijfveer was en nog steeds is. Ik zeg altijd maar dat het tussen de oren zit, maar wat daar precies zit, weet ik ook niet.”
Door de jaren haalde Van der Sar de diploma's die met het vak van redder samenhangen, maar stapte toen hij een jaar of 24 was over naar de loodsdienst.
Hij leerde het vak van schipper aan boord van een tender, tot hij op gegeven moment besefte dat zijn ervaring bij de reddingsbrigade èn de loodsdienst een perfecte combinatie vormden voor de functie van schipper op de reddingsboot. Hij werd in 1985 eerst opstapper en kon twee jaar geleden schipper worden.
“Naast vakman zijn, moet je natuurlijk ook veel sociale vaardigheden hebben”, zegt Van der Sar. “Het team draait niet zonder mij, maar zonder het team ben ook ik nergens. De reddingsbrigade is nu hèt voorbeeld van een platte organisatie. Die platte organisatievorm zie je zelfs terug op het hoofdkantoor in IJmuiden. Niks telefonisten, soms neemt gewoon de directeur de hoorn van de haak en verbindt je door met wie je moet hebben.”
“Iedereen doet alles, niemand speelt de baas. We doen allemaal gewoon ons best om zo goed en snel mogelijk mensen uit zee op te pikken. Zonder tè grote risico's te nemen, want het is natuurlijk geen loterij.”
Van der Sar en zijn mannen zijn 24 uur per dag standby. Ze horen niet graag dat ze in die tijd 'wachten' tot er wat gebeurt. “Wachten is zo passief, wij zijn alert en doen er alles aan om dat te blijven. We doen oefeningen en trainingen, onderhouden de boot en de apparatuur, houden ons op de hoogte van de weerverwachting. Bij wachten denk je toch dat je onderuit in je stoel zit.”
Het kenmerk van een schipper van een reddingsboot is dat hij uitvaart, wanneer andere schippers liever binnengaats blijven. “Je moet inderdaad niet bang zijn”, zegt Van der Sar.
“Maar het moet gezegd, toen ik in het loodswezen zat, ging ik ook met ruig weer de zee op. De werkpraktijk is wat dit betreft niet erg veranderd, al moet ik in dit bedrijf wel alles zelf regelen. De boot, het personeel, de onderkomens, niks kun je uitbesteden. Alles behoort tot mijn taak.”
De laatste jaren heeft de post Schiedam geen grote reddingsoperaties meer gekend. Vijftig procent van de operaties betreft het overbrengen van personen aan boord van de grote zeeschepen die voor de kust voor anker liggen en daar wachten tot ze de Rotterdamse haven in kunnen.
“Soms liggen ze er weken, soms maanden. En dan kan het gebeuren dat er iemand zo ziek wordt, of gewond raakt dat hij met spoed naar de wal moet. En daar zorgen wij dan voor. Met onze magere topsnelheid van 20 kilometer per uur zijn we altijd sneller dan de helikopter die van De Koog moet komen.”
“De andere vijftig procent van de acties betreffen de echte reddingsoperaties, die voornamelijk nodig zijn vanwege weinig verantwoordelijk gedrag van schippers en badgasten.”
“Hier bij de monding worden de eigenaren van jachten bang van die grote zeeschepen en gaan daarom buiten de boeien varen. En dan zitten ze opeens tegen de strekdam aan. Zie ze daar maar eens weer vanaf te halen.”
“We pikken in de zomer ook veel vissers op, die met hun bootje afdrijven en niet meer terug kunnen peddelen. En plukken toeristen van de pier, die met eb naar de punt zijn gelopen, en met de opkomende vloed niet meer terug kunnen. Hoe vaak je ook waarschuwt: het blijft gebeuren.”
Verder wordt de Javazee incidenteel ook ingeschakeld voor uitvaartceremonies waarbij de as van zeelieden in zee wordt gestrooid. 'As wippen', noemen ze dat bij de KNRM.
Misschien dat nabestaanden dat een wat oneerbiedige term vinden, de verasten zouden precies hebben geweten waarom die term wordt gebruikt: het verwijst naar de tijd toen er nog op kolen werd gevaren en regelmatig de overgebleven as overboord moest worden gekieperd.
De laatste echte grote reddingsactie was vier jaar geleden, toen de kustvaarder Junior problemen had. “Bij windkracht acht hebben we de bemanning toen van boord gehaald, en kort daarna is de hele zaak gekapseisd.”
De andere grote acties kent Van der Sar alleen van verhalen: de redding van de opvarenden van de Stardust en die van de Ponta Hariz voor de kust van Hoek van Holland. Die reddingen zijn meer dan tien jaar geleden en, zegt Van der Sar, misschien juist omdat hij er niet bij is geweest, spreken die reddingen zo tot de verbeelding.
De Nederlandse organisatie van redders kent zo'n 600 vrijwilligers, en de organisatie krijgt geen cent subsidie. “Dat willen we ook niet”, zegt Van der Sar, “want bij de eerste cent die de overheid geeft, worden ook eisen gesteld. En wij willen baas in winkel blijven. Jaarlijks zorgen we er gewoon voor dat er 20 miljoen aan giften binnenkomt, en dat is wèl zo prettig.”
De club van nuchtere mannen -dat moet je ook wel zijn, want aan nuchterheid heeft onze collega in Lauwersoog zijn leven te danken - gaat zijn eigen gang.
Van der Sar is een van de weinige leidinggevenden die hardop durft te zeggen dat hij geen vrouwen in zijn 'bedrijf' wil.
“Ik krijg daar soms wel commentaar op, vooral van vrouwen, maar ik zeg: ga effe gauw van boord! Ze horen hier niet. Op zee gebeurt het regelmatig dat je in een grondzee terecht komt, en dan rol je allemaal over elkaar heen. Ik moet er niet aan denken dat daar een vrouw tussen zit.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.