Armoede is een schande, en wel voor de rijken. Dat mag geen nieuws zijn, de feiten en cijfers die een bureau van de Verenigde Naties deze week etaleerde om die stelling te staven, zijn er niet minder schokkend om. Een vijfde van de mensheid eigent zich 86 procent van alle consumptiegoederen toe. En liefst nog meer, want in de rijke landen slinkt de spaarzin en groeit de consumptiedrift.
De rekening wordt goeddeels gepresenteerd aan de armen. Het zijn vooral ontwikkelingslanden die lijden onder de milieuverziekende gevolgen van andermans inhaligheid. Deze immorele verdeling van de lusten en lasten van de consumptie wordt in het Human Development Report 1998 terecht aan de kaak gesteld.
Het wordt hoog tijd dat in het rijke westen en noorden van de wereld de hebzucht van velen beteugeld en de soberheid van weinigen gemeengoed wordt. Willen arme landen zich kunnen ontwikkelen, dan moet in de rijke de deugd der matigheid niet alleen geprezen, maar ook als zinvol beleefd worden. De aarde is er immers niet op berekend dat de halve wereld, laat staan de hele, zich gaat spiegelen aan het rabiate consumptiegedrag van menige Amerikaan en West-Europeaan.
Het rapport doet zinnige suggesties voor verandering. Zo bepleit het de oprichting van een wereldbank die een mondiale handel in milieurechten organiseert. Landen die bij gebrek aan welvaart nauwelijks het milieu vervuilen, kunnen daar hun rechten te gelde maken door ze aan rijke te verkopen. Zo wordt hun achterstand in vervuiling beloond met inkomen.
Dat idee moet de minister van milieu aanspreken. Op zijn vorige departement moest Pronk vaststellen dat echte herverdeling van rijkdom niet bereikt wordt met hulp, maar door zaken te doen. De handel in milieurechten kan hem, en Nederland, een nieuwe kans bieden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.