*

 
dossier

Archief

JELLE ZIJLSTRA - 'Zonder idealen vallen de muren om'

WILLEM BREEDVELD − 13/01/96, 00:00

Natuurlijk, de waarheid en niets dan de waarheid, ook over die vermaledijde politici. Maar klopt het beeld wel dat de media van hen schetsen? Wat vindt het 'slachtoffer' er zelf van? Waar ergens loopt de grens tussen mythe en werkelijkheid. Vandaag Jelle Zijlstra (77), een mythe op zichzelf. Kon doorlopend bogen op een schier onbeperkt vertrouwen en gezag. Maar deinsde er uiteindelijk toch voor terug in het voetspoor te treden van Kuyper, Colijn of Schouten. Zijn overweging: ik ben geen homo politicus. Maar als hij het niet is, wie mag zich dan nog wel als een echt politicus beschouwen? De verrassende conclusie van dit gesprek: het is in het aangezicht van de volgende eeuw droevig gesteld met echte principiële politiek. Binnen het CDA net zo goed als binnen de PvdA of de VVD.

De bazuin. Voor Zijlstra lag in dit woord de erkenning besloten dat daar een bezield politicus het woord voerde. Iemand die uit een duidelijk herkenbare bron putte en die van daaruit op welluidende, overtuigende wijze zijn publiek vermocht toe te spreken. Maar Zijlstra realiseerde zich op dat moment, half en half bewust misschien, ook iets anders. Namelijk dat hijzelf tot een dergelijk spreken nimmer in staat zou zijn. In ieder geval liet hij op 13 september 1962 partijvoorzitter Berghuis schriftelijk weten in de achterliggende tien jaar 'nooit een echte homo politicus te zijn geworden' en voorts dat hij zich mede daarom niet beschikbaar wilde stellen voor het lijsttrekkerschap van de ARP.

Dat kon u toch niet menen? U die toen al een groot vertrouwen genoot? En die nog populair was bovendien? Hoe populair bleek enkele jaren later wel heel overtuigend toen Wim Kans lied: 'Waar we heengaan, Jelle zal wel zien', zo ongeveer op ieders lip lag.

“Ja, dat meende ik echt. Geen homo politicus. Begrijp me goed, daarmee bedoelde ik niet dat ik het er in de achterliggende jaren slecht van zou hebben afgebracht. Als betrekkelijk jong minister van economische zaken heb ik geen echte politieke problemen over me afgeroepen en van het ministerschap van financiën, daarna, heb ik ronduit genoten. Dat werk lag voor een deel ook op mijn oude vakterrein. Evenmin zag ik er tegenop om spreekbeurten te houden. Dat deed ik zelfs met genoegen en ik denk ook niet dat het me slecht afging om het publiek uit te leggen waarom we met de betalingsbalans zus, of met het financieringstekort zo moesten doen.”

“Keek ik daarentegen echt in mijn binnenste en stelde ik mezelf de vraag: zou ik het zo kunnen of willen als een Schouten, een Romme of een Tilanus?, dan luidde het antwoord: 'nee'. Daarvoor is nodig dat je boven het dagelijkse gedoe van de politiek kunt uitstijgen en een link weet te leggen met het grote gebod. Dat je in politieke zin de tale Kanaüns moet kunt spreken. Je kunt het ook huiselijker zeggen. Jan Schouten was iemand die zijn tijd het liefst met een veldbed op zijn kamertje permanent op het Binnenhof zou hebben doorgebracht. Qua instelling zou hij niets liever gewild hebben dan in de voorhof te verkeren van de politieke tempel.”

Dan toch maar liever een homo economicus zult u gedacht hebben. Sprak daar toch niet een zeker dédain uit voor de politiek, zoals hier en daar in de media wel is gesuggereerd?

“Nee, echt niet. Ik zei dat niet uit verachting voor het vak. Integendeel, homo politici zijn juist dringend nodig. Alleen, ik kon het niet opbrengen. Bedenk ook dat ik toen 45 jaar was. Een keus voor het lijsttrekkerschap zou op die leeftijd onherroepelijk hebben betekend dat ik voor de rest van mijn loopbaan aan de politiek vast zou zitten. Op zo'n moment moet je je wel afvragen of dat goed is voor jezelf en ook goed is voor de politiek. Welnu, in mijn geval gold dat ik in de achterliggende jaren met plezier politiek heb bedreven, dat ik me met redelijk succes in de slangenkuil overeind heb weten te houden, maar ook dat het mijn hart niet had. Ik heb, naar een bijbelwoord, als het ware op het politieke erf slechts in tenten gewoond.”

Maar stelde u geen overdreven eisen aan de politiek? Ik bedoel, tale Kanaüns, principiële politiek. Dat zijn toch zaken die vandaag de dag met een kaarsje te zoeken zijn. Een homo economicus van uw kaliber is thans eerder een aanbeveling om juist wel de politieke touwtjes in handen te nemen.

“Ik ben nog opgevoed in een traditie die teruggaat tot Kuyper. Voor ons was van wezenlijke betekenis wat je inspireert. Waar je in de politiek vanuit gaat. Met zulke vraagstukken hielden we ons serieus op de jongelingsvereniging en kiesvereniging bezig. Daar tilden we zwaar aan. Ik herinner me nog goed hoe in 1963 de PvdA'er Vondeling de aanval op ons opende met de stelling: wie zijn stem op een christelijke partij uitbrengt stemt wel, maar kiest niet. Ik heb Vondeling toen krachtig van repliek gediend aan de hand van de vraag: is christelijke partijvorming funest voor de democratie?”

En? Hoe funest is een christelijke partij?

“Je kunt er ongetwijfeld relativerend over doen. Je hoort mij ook niet zeggen dat in alle tijden en op alle plaatsen christelijke partijvorming gewenst is. Je kunt zelfs met de CHU-ideoloog, de barthiaanse theoloog Van Niftrik, onderscheid maken tussen christelijke politiek of - waar hij een voorstander van was - politiek voor christenen. Maar in de kern van de zaak draait het erfgoed van Kuyper om drie dingen: dat we het oog gericht houden op een herkenbare goddelijke rechtsorde, dat we moeten proberen de feitelijke orde daarmee in overeenstemming te brengen en dat we christelijke organisaties nodig hebben om dat doel te bereiken.”

“Ik weet ook wel dat dit knap hoog gegrepen is, en als je een verstandig politicus bent dan zul je zeker niet elke maand zo'n preek moeten houden. Maar die oriëntatie moet wel herkenbaar zijn. En van een politiek leider mag je verwachten dat zijn kiezers dit in hem herkennen. Als het gaat stormen moet de partij op zo'n oriëntatie terug kunnen vallen. De homo politicus moet daarvoor over een soort zesde zintuig kunnen beschikken.”

“Trouwens, wat ik hier over christelijke politiek zeg geldt evenzeer voor de sociaal-democratie en het liberalisme. Drees was allerminst de pragmaticus waar velen hem voor hebben gehouden. Verre van dat. In hem brandde een socialistisch vuur en ook voor iemand als Oud was het liberalisme meer dan pragmatisme. Hij geloofde echt in de mogelijkheid van een principieel liberale politiek. En zo hoort het ook. Politieke partijen zijn het cement van de samenleving, die de stenen bij elkaar houden. Verliezen ze hun idealen en daarmee hun gevoel voor richting. Dan vallen de muren om.”

Maar het is toch puur pragmatisme wat de klok slaat tegenwoordig? Het lijkt ook niet anders te kunnen. Hoe anders een paars kabinet bij elkaar te houden?

“Er zit voor Kok inderdaad weinig anders op dan een pragmatische politiek te voeren. Kok zal zich echter moeten realiseren dat dit ten koste zou kunnen gaan van de discussie en ook van de idealen. Dat wordt ook niet opgelost door een tegenstelling in het leven te roepen tussen de overheid en de markt, waarbij de PvdA dan meer op de overheid gericht zou zijn en de VVD meer op de markt. Dat is een schijntegenstelling. In de moderne economie is niemand te vinden die hier een echte tegenstelling ziet. Markt en overheid horen bij elkaar en kunnen ook niet zonder elkaar. Nee, om met je partij als cement te kunnen dienen heb je idealen nodig.”

“Het is overigens niet het makkelijkste vraagstuk. De drie hoofdstromen in de politiek hebben alle drie hun wortels in de vorige eeuw. Hun idealen hebben ze in deze eeuw aardig overeind weten te houden. Maar nu, in het aangezicht van de volgende eeuw, zie je het cement afbrokkelen. Toch zullen we ook in de volgende eeuw niet zonder idealen kunnen. Maar welke? Langs welke lijnen houden we politieke partijen overeind, die ik vooralsnog blijf zien als onmisbare voertuigen van de democratie? Issues als de schoolstrijd of schrijnend sociaal onrecht zijn daarvoor thans ongeschikt. Toch zullen er idealen geformuleerd moeten worden waarmee voor de komende decennia de richting wordt aangegeven. Ik denk aan vraagstukken van leven en dood.”

Het CDA leek met zijn concept van de verantwoordelijke samenleving die potentie in zich te hebben. Maar van dat ideaal lijkt weinig overgebleven te zijn.

“Ten dele is het CDA uit nood geboren. Desondanks genereerde de fusie van de drie oorspronkelijke partijen KVP, ARP en CHU een meerwaarde. Geen twijfel mogelijk. Met de totstandkoming van de fusie leken we echt een nieuwe start te maken. De geestdrift die iemand als Piet Steenkamp zo fraai onder woorden wist te brengen werkte aanstekelijk. Er was iets wat duidelijk uitging boven het geijkte stramien van katholiek of protestants. Van Agt bijvoorbeeld kreeg in de Leeuwardense koopmansbeurs, ten overstaan van overwegend ouderwets gereformeerde ARP-ers, de handen van het publiek stevig op elkaar. Die meerwaarde van het CDA werd niet alleen herkend, we werden er in electoraal opzicht ook rijkelijk voor beloond.”

Tot de klad er in kwam.

“Ja, het succes, zou je kunnen zeggen, verhulde een trendmatige beweging, het geleidelijke proces van secularisatie. Voeg je daarbij de serie politieke verkeersongelukken van het rampzalig verlopen verkiezingsjaar, dan is de nederlaag enigszins verklaard. Die ongelukken hadden we kunnen voorkomen, de trendmatige neergang niet; althans moeilijker. Daarvoor zullen we toch iets van de oude geestdrift moeten hervinden.”

Door de partij een wat minder protestants-christelijke uitstraling te geven, zoals KRO-voorzitter en CDA-senator Braks vorige week op deze plaats suggereerde?

“Ach, welnee. Dat is de buitenkant. Een discussie over bloedgroepen is irrelevant en schadelijk. Je kan net zo goed zeggen dat er meer Brabanders, of juist meer Friezen in het CDA moeten zitten. Waar het om gaat is dat we terug moeten naar de bron. Naar onze idealen.”

Maar Braks bedoelde vooral dat de partij wat meer warmte zou moeten uitstralen.

“Ook dat is een verkeerde probleemstelling. Warmte spreekt iedereen aan. Ik weet niet of katholieken dat van nature meer hebben dan protestanten. Ik geloof ook niet dat Romme en Beel te boek stonden als bij uitstek warme persoonlijkheden.”

In 1981 kreeg u nog één keer de kans om minister-president te worden. De aartsvijanden Van Agt en Den Uyl konden het niet met elkaar eens worden, maar waren beiden wel bereid onder u te 'dienen'. U weigerde, met als resultaat dat er een tweede kabinet-Van Agt-Den Uyl kwam. Een regelrechte ramp. Spijt dat u geweigerd heeft?

“Ik stond inderdaad onder zware druk op een moment - ik was toen 63 - dat ik eindelijk van een vrij bestaan zou kunnen gaan genieten. Weg uit de publieke belangstelling en de publiciteit. Ik was toen bezig met pensioen te gaan. Niet dat ik er echt gebukt onder ging. Maar als ik nog wat anders wilde, dan moest het toen gebeuren. Ik koos voor het laatste en eerlijk gezegd ook omdat het geen vertoning zou zijn geweest. Van Agt en Den Uyl die niet onder elkaar wilden dienen en die daarom hetzij onder mij hadden moeten dienen, hetzij in de Kamer hadden moeten gaan zitten. Den Uyl zou zich bereid hebben verklaard in een kabinet met mij als premier plaats te nemen. Maar ik zag de taferelen al voor me. Het zou ongetwijfeld een feest zijn geworden voor de journalisten. Maar of het land ermee gediend zou zijn, waag ik te betwijfelen. Nee, de heren moesten het samen maar zien te rooien.”

“De enige keer dat ik het er echt moeilijk mee heb gehad was in 1967. Na de val van het kabinet-Cals in 1966 en het interim-kabinetje dat ik tot aan de verkiezingen heb geleid. De formatie verliep moeizaam en dreigde keer op keer te mislukken. De koningin heeft toen een dringend beroep op me gedaan om beschikbaar te zijn voor het premierschap in het geval het andermaal zou mislukken. En daar leek het ook op uit te zullen draaien. Ik stond toen voor de moeilijkste beslissing uit mijn leven. Tot Piet de Jong op het allerlaatste moment met het verlossende telefoontje kwam: het was hem op de valreep gelukt zijn kabinet rond te krijgen.”

mailIcon print |