*

 
dossier

Archief

DE WONDERBAARLIJKE TERUGKEER VAN DE BROEDERSCHAP

MARCEL TEN HOOVEN − 03/02/96, 00:00

De PvdA beraadt zich op haar 26ste congres, vandaag over een week in Zwolle, op haar koers. Oudgediende Ad Oele, tot voor kort bijzonder hoogleraar op de Den Uyl-leerstoel, heeft uitgesproken ideeën over de gewenste richting. Ondanks de samenwerking met de VVD in de paarse coalitie, moet de PvdA zich opwerpen als tegenhanger van het liberalisme. “We moeten uitdragen dat afhankelijkheid van elkaar ook iets móóis is.”

Dat antagonistische tafereel maakte een geforceerde indruk, alleen al omdat hier de premier sprak van het eerste kabinet op basis van een coalitie van sociaal-democraten en liberalen, een ervaring die hun beiden tot dusver tot genoegen strekt. Het electoraal aanlokkelijke perspectief van een stembusslag tussen Kok en Bolkestein zal niet vreemd zijn geweest aan Koks overdrijving. Het kan geen kwaad, zal de PvdA-leider hebben gedacht, om twee jaar voor de verkiezingen de toon te hebben gezet voor deze tweestrijd.

Aan de andere kant spreekt het voor zich dat het succes van hun coalitie niet alle geschillen tussen sociaal-democraten en liberalen zal hebben weggenomen. Hoe zwart-wit de tegenstelling die hij schetste ook mag zijn, Kok trof met zijn betoog over de rol van de overheid wel het wezensverschil tussen de beide politieke denkstelsels. De komende zomer kan dat verschil opnieuw aan de oppervlakte komen, in de kabinetsdicussie over de toekomst van de verzorgingsstaat. Tot haar kern teruggebracht zal die discussie gaan over de vraag welke rol de overheid in deze tijd nog past in de waarborging van de materiële zekerheid van de burgers.

Het laat zich aanzien dat de PvdA het bij deze gelegenheid moeilijker zal hebben dan de VVD. De liberalen zijn eensgezind over de richting die zij willen koersen met de hervorming van de sociale zekerheid. De sociaal-democraten daarentegen verkeren in onzekerheid over de vraag hoe zij, zonder al hun idealen te grabbel te gooien, de solidariteit kunnen vormgeven in de maatschappelijke verhoudingen van tegenwoordig. Sinds de WAO-crisis is een vleugelstrijd in de PvdA zichtbaar geworden, toegespitst op de vraag waar het evenwicht ligt tussen collectieve regelingen en persoonlijke verantwoordelijkheid.

Ad Oele, een oudgediende in de PvdA, heeft in Koks Den Uyl-lezing tevergeefs gezocht naar richtinggevende uitspraken die de sociaal-democraten op één noemer kunnen brengen. “Nee, op dat punt is Kok niet al te diepgravend”, stelt hij vast. “Hij heeft een keurige lezing gehouden, in die zin dat hij een programma bood dat netjes binnen de grenzen van het regeerakkoord uitvoerbaar is. Maar er is méér nodig om het gevaar van een onherkenbare PvdA te keren. Zo'n bezinning op onze ideologie kunnen we van Kok niet verwachten. Dat zit gewoon niet in hem, noch in de rest van de PvdA-top. Ze zijn, heel postmodern, gefixeerd op het belang van personen in de partij, onderwijl vergetend dat we ook een catechismus nodig hebben.”

Dr. A. P. Oele (72) kan gezag doen gelden op het terrein van de ideologische geschiedenis van de sociaal-democratie, meer in het bijzonder haar gespannen verhouding met het liberalisme. Op de Den Uyl-leerstoel aan de universiteit van Amsterdam doceerde Oele de afgelopen vier jaar in de historie van de sociaal-democratische ideeënvorming. Met een bijeenkomst in het Maagdenhuis droeg hij deze functie onlangs over aan oud-burgemeester Ed. van Thijn. Oele heeft een lange staat van dienst in de PvdA, niet alleen als Tweede-Kamerlid (1963-'73) en bestuurder (burgemeester van Delft, voorzitter van de Rijnmondraad, commissaris van de koningin in Drenthe) maar ook als publicist over de sociaal-democratie.

Deze achtergrond maakt Oele een interessante gesprekspartner over de nieuwe verhouding waarin de sociaal-democraten en liberalen sinds de totstandkoming van hun coalitie tot elkaar staan. Ondanks die regeringssamenwerking ziet Oele, in het voetspoor van Kok, voor de PvdA een nieuw perspectief als tegenhanger van de liberalen, overigens zonder dat de PvdA opnieuw in de oude egelstelling moet vervallen die elke samenwerking met de VVD lange tijd uitsloot.

In zijn meest recente publicaties poetst Oele het derde, wat verbleekte ideaal van de Franse revolutie op: de broederschap. In contrast met het individualisme dat de liberalen aan het hart is gebakken, moeten de sociaal-democraten met kracht de overtuiging uitdragen dat we nog nooit zo afhankelijk van elkaar zijn geweest als in deze tijd. Politiek pikant is dat Oele ('Ik ben een niet geheel ongelovige sociaal-democraat') voor de PvdA een koers aanbeveelt die, zegt hij ook zelf, eigenlijk op de maat van het CDA is geschreven. Zoals de directeur van de Wiardi Beckmanstichting, Paul Kalma, in zijn rapport De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit tegen de trend in de staf brak over de politiek van lastenverlichting, zo loopt Oele met zijn betoog tegen de individualisering uit de pas van deze tijd. Met recht kan zijn verhaal worden samengevat onder het credo De wonderbaarlijke terugkeer van de broederschap.

Oele realiseert zich dat tegendraadse karakter van zijn aanbevelingen. Niettemin vertrouwt hij op het succes van deze aanpak. Hij is ervan overtuigd dat de PvdA met het uitdragen van de idee van broederschap appelleert aan het wezen van de menselijke natuur: “Het is mijn overtuiging dat het de aard van het beestje is dat wij, mensen, ons van elkaar afhankelijk maken. Onze sociale gezindheid is in iedereen in aanleg aanwezig. We zijn een merkwaardig zoogdier. We hebben ons niet alleen dankzij allerlei werktuigen tot de kolonisator van de aarde kunnen ontwikkelen, maar ook dankzij samenlevingsverbanden die steunen op wederzijdse afhankelijkheid. Alleen zo is het te verklaren dat we in zo'n ongelooflijke dichtheid op elkaar kunnen leven. Biologisch gezien is dat een Godswonder.”

Hij concludeert dat waar mensen vroeger met een beroep op het christendom tot broederschap werden bewogen, nu een beroep op de aard van het beestje op zijn plaats is. Oele: “Op de condition humaine. De uitdaging aan de politiek is te zorgen dat deze menselijke trek niet door een individualistische cultuur teniet wordt gedaan.”

Oele legt in zijn publicaties een verband tussen de broederschap en de andere twee grondbeginselen van de moderne westerse staat, vrijheid en gelijkheid. Een terugkerend thema in Oeles werk is zijn stelling dat vrijheid en gelijkheid onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het één kan niet zonder het ander.

Dat is een opvallende invalshoek voor wie slechts oog heeft voor de innerlijke spanning tussen beide idealen. Het heet doorgaans dat de bevordering van de gelijkheid onherroepelijk een beperking van de persoonlijke vrijheid met zich meebrengt en, vice versa, dat volledige individuele vrijheid slechts ten koste van de gelijkheid mogelijk is. Oele bekijkt het van de andere kant en laat zien dat gelijkheid en vrijheid elkaars voorwaarden zijn.

Hij raakt daarmee aan de controverse die met het samengaan van liberalen en sociaal-democraten in de paarse coalitie is ingebouwd. Oeles betoog in de essaybundel Het rekverband van de samenleving komt erop neer dat persoonlijke vrijheid, het grootste ideaal van de liberalen, pas voor iedereen in beeld komt bij een zekere mate van gelijkheid en solidariteit in de samenleving, het traditionele streven van de sociaal-democraten. Tot de kern teruggebracht houdt zijn redenering in dat persoonlijke keuzevrijheid voor iemand pas reëel wordt als hem gelijke ontplooiingskansen worden geboden, in de vorm van toegankelijk onderwijs, een open en gevarieerde arbeidsmarkt, een goede toegang tot culturele voorzieningen èn een ruimbemeten sociaal vangnet.

In de komende kabinetsdiscussie over de toekomstige verzorgingstaat zal de PvdA zich dan ook tot het laatste toe tegen de gedachte van het ministelsel moeten verzetten, meent Oele: “Om een verscheidenheid aan redenen. Ook omdat het individualistische idee achter het ministelsel, waarbij een ieder voor zich kiest, strijdig is met de notie van wederzijdse afhankelijkheid. Ik weet dat een verdere herziening van de sociale zekerheid is geboden en ik realiseer me dat we dan voor martelende keuzes komen te staan. Hoe verhoudt het recht op een uitkering zich tot de plicht tot werk? Toch moeten we in geen geval kiezen voor het ministelsel, anders verliezen we onze herkenbaarheid.”

De beroering die in de paarse coalitie kan optreden over de sociale zekerheid, maar ook over het onderwijs, de arbeidsmarkt of het cultuurbeleid, schrijft Oele toe aan het verschil in opvatting over het wezen van vrijheid. Volgens hem vat de sterke conservatieve stroming in de VVD het begrip vrijheid vooral op als economische vrijheid, een gezichtshoek die volgens hem de blinde vlek voor de vrijheidsdrang van asielzoekers verklaart: “De VVD is conservatief en behoudend met haar neiging de bewegingsvrijheid van vluchtelingen steeds verder te beperken. Zij weigert zo de solidariteit te verruimen over onze eigen grenzen heen. Het kenmerk van het idee van wederzijdse, positieve afhankelijkheid is juist dat het etnische grenzen doorbreekt.”

Niet alleen gelijkheid, ook solidariteit is in de visie van Oele een onmisbare voorwaarde voor persoonlijke vrijheid. De kwintessens van solidariteit is immers dat wat jij niet wilt dat je overkomt, je ook de ander wenst te besparen. De crux van Oeles redenering is dat in deze notie van broederschap de 'wettelijk opgelegde' solidariteit, de sociale-zekerheidswetten dus, moet zijn verankerd. Zonder die ondergrond ontbeert de sociale zekerheid het fundament om bestendig te zijn tegen politieke tegenwind.

Die tegenwind is er volgens Oele volop. De broederschap heeft zwaar te lijden onder de individualisering, de trend die de mensen steeds meer bij zichzelf bepaalt. Onder die invloed erodeert, meent Oele, het bewustzijn dat individuen solidair kunnen zijn met mensen die ze niet kennen. Een eerste vereist voor de herleving van dat 'Novib-gevoel' (Oele) is dat mensen zich weer van hun wederzijdse afhankelijkheid bewust worden.

Zo is Oele terug bij zijn uitgangspunt. “Waar het werkelijk om draait, is dat we opnieuw onze afhankelijkheid binnen èn buiten de grenzen van gezin, vriendenkring, werk en staat onderkennen. Politici moeten uitdragen dat afhankelijkheid ook iets móóis is. De boodschap moet luiden dat mensen baat kunnen hebben bij hun afhankelijkheid van elkaar, ook om te houden wat we nu hebben. De Verenigde Staten kunnen ons voorland zijn. Daar kun je zien wat er gebeurt in een land waar het individualisme regeert. We willen toch geen gezondheidszorg die alleen voor de werkenden betaalbaar is? We willen toch niet dat mensen noodgedwongen in kartonnen dozen wonen? Voor sociaal-economische vooruitgang is het vereist dat we ook sociaal vooruitgaan. Dat wordt wel eens vergeten. Ik weet dat het in deze tijd van individualisering politieke moed vergt om je als bondgenoot van afhankelijke mensen op te werpen. Maar we moeten het wel doen.”

Oele wenst, naar het woord van de onlangs overleden filosoof Emmanuel Levinas, het humanisme van het ik te verruimen tot het humanisme van de ander. Mensen kunnen, schrijft Oele in Het rekverband van de samenleving, alleen dan hun leven zin en inhoud geven als zij zich leren zien zoals de anderen hen zien. Hij grijpt hier terug op een mensbeschouwing die is verankerd in de joods-christelijke visie: “Eeó ding is het meest wezenlijk voor onze cultuur en dat is het liefdesbegrip. De naastenliefde, zoals de geniale Paulus die in zijn brief aan de Romeinen heeft neergeschreven.”

In het licht van deze uitspraken ligt de conclusie voor de hand dat Oele meer zal zien in een coalitie met het CDA dan met de VVD, temeer daar hij de verbinding van sociaal-democratie met liberalisme al eens 'gevaarlijk' heeft genoemd. “Ja, het gevaar van zo'n combinatie is dat de individualisering vrij baan krijgt en alles wat fout gaat op de overheid wordt afgewenteld. De overheid krijgt dan het odium van onbeholpenheid. Zo'n gedeklasseerde overheid heeft niet meer de ruimte om ons welvaarts- en welzijnsniveau overeind te houden.”

Oele sluit met deze waarschuwing aan bij de Den Uyl-lezing waarin Kok de liberalen een streven naar een minimale staat toedichtte. Oele ziet in de slechte reuk die de overheid tegenwoordig omgeeft een signaal dat Nederland al de gewraakte, Amerikaanse richting uitgaat. Des te verrassender is het dat hij desondanks ingenomen is met de paarse coalitie en weinig ziet in hernieuwde regeringssamenwerking met het CDA.

In de eerste plaats beschouwt hij het CDA, ondanks zijn traditie van gemeenschapsdenken, niet als bondgenoot in het streven naar een herwaardering van de broederschap. “Nee, het CDA kiest in de praktijk van alledag eerder voor de vrijheid, bijvoorbeeld in het milieubeleid. Ze negeren het gegeven dat de mens niet zozeer een rentmeester van de aarde is, zoals zij zeggen, maar een kolonisator. En een kolonisator rem je alleen af als je zijn vrijheid beperkt. Het CDA heeft bovendien de neiging het idee van wederzijdse afhankelijkheid te beperken tot de traditionele kring van het gezin, zoals het zich ook in een kwestie als de onderwijsvrijheid heel erg op de instituten richt. Er zijn nauwelijks CDA'ers die dieper filosoferen. Hoewel ik naast de cynische ook veel aardige CDA'ers ken, krijg ik toch de indruk dat ze niet zozeer op hun kerkelijk leven worden gerecruteerd, als wel op hun tevredenheid met de status quo.”

Oele, naast denker over sociaal-democratie ook een doorgewinterd bestuurder, is bovendien zo te spreken over de bestuurlijke prestaties van de paarse coalitie dat hij zich over het 'gevaar' van de combinatie met de liberalen kan heenzetten. “Het aardige van dit kabinet is dat het zo goed bestuurt. Vergelijk alleen al Borst eens met Simons en je kent het kwaliteitsverschil met het vorige kabinet.”

In de derde plaats zoekt Oele het antwoord op de individualisering niet zozeer in een uitsluiting van de VVD, als wel in een bezinning van de PvdA op haar eigen ideologie. “Het probleem zit bij ons, bij de PvdA. Ons gewicht in de coalitie hangt af van ons vermogen ons opnieuw voor de kiezer herkenbaar te maken. We draaien nu in veel vraagstukken om de hete brij heen en beperken ons tot deelaanpassingen. De bedreiging zit meer in de neiging van de PvdA duizend bloemen te laten bloeien dan in de duidelijkheid van de VVD. Daarom moeten we ons eigen verhaal weer vinden en ons tastenderwijze beraden op onze ideologie.”

De kern van zo'n verhaal zou de wonderbaarlijke terugkeer van de broederschap kunnen zijn. Helaas, zegt Oele, kent de PvdA onder haar leden nog maar weinig sociale dominees: “Die zijn destijds allemaal naar de PSP overgestapt.”

mailIcon print |