Herhaling morgenavond (uitverkocht). De NPS maakte tv-opnamen voor uitzending in de herfst. Vanavond dirigeert Gardiner in het Concertgebouw zijn Monteverdi Choir in een wereldpremière van Györgi Kúrtág 'Liederen van moedeloosheid en verdriet' op teksten van Russische dichters. Een Nederlandse Kúrtág-première, 'Lebenslauf' speelt het Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw.
In een voorwoord bij 'Die Zauberflöte' benadrukt Gardiner dat hij de opera (gebaseerd op een scènische produktie, regie Stephen Medcalf) op een nieuwe, gestileerde manier heeft willen benaderen. Hij wilde een 'Zauberflöte' die zich afspeelde in het theater van de geest. In de a-theatrale omgeving van het Concertgebouw leek dat bij voorbaat zeer goed mogelijk, maar toch was deze laatste Mozart-opera van Gardiner en de zijnen de meest theatraal ingevulde.
Toen de serie in 1990 begon met 'Idomeneo' en 'La clemenza di Tito' werden de dramatische handelingen op een verhoogd podium achter het orkest nog uiterst summier uitgevoerd; van kostuums was haast geen sprake. In het volgende festival was 'Die entführung aus dem Serail' al geheel semi-scènisch, een stijl die werd voortgezet met 'Così' ('92) en 'Le nozze di Figaro' ('93). Die ontwikkeling culmineerde vorig jaar in een spectaculaire 'Don Giovanni' die ook op de televisie werd uitgezonden.
Voor 'Die Zauberflöte' doofde het zaallicht geheel, was iedereen in (nogal lelijke) kostuums gestoken en betrad zelfs een heus dansgezelschap het geïmproviseerde podium. Van semi-scènisch was dus nauwelijks sprake meer, al blijft het met belichting en schokkende volgspots wel wat behelpen.
Het theater van de geest wat Gardiner voor ogen stond, werd echter prachtig uitgewerkt in de rekwisieten die er niet waren. Het 'Bildnis' van Pamina waar Tamino op slag verliefd op wordt, was niet meer dan een lege lijst. Dat leverde prachtig theater op toen Papageno met het portret bij Pamina kwam. Na een grondige studie concludeerde de vogelvanger dat de 'afgebeeldene' dezelfde is als Pamina; ook Pamina keek door de lege lijst en riep verrukt: 'Ja! Das bin ich!'
Maar het mooiste afwezige rekwisiet was het fluitje van Papageno. Bariton Gerald Finley floot het bekende do-re-mi-fa-sol-deuntje gewoon door zijn lippen en gebruikte daarbij zijn vingers op ingenieuze wijze. Hoe het precies ging, heeft waarschijnlijk niemand ontdekt, maar het klonk fantastisch. Dat was met recht een toverfluitje!
Het nakijken
Het is geen wet van Meden of Perzen, maar als Papageno gezongen en gespeeld wordt door een goed zanger/acteur, dan heeft Tamino het nakijken. Maandagavond was het al niet anders. Gerald Finley stal op onvergetelijke wijze de show, zong schitterend en bespeelde met een fantastische parodie op de klavierleeuw zijn toverklokjes (Robin Jennings ontwierp voor deze produktie een zo authentiek mogelijk klokkenspel).
Met Tamino (die zo'n malle vuur- en waterproef moet ondergaan) kunnen maar weinigen zich identificeren al wordt de rol nog zo mooi gezongen. Dat was maandagavond zeker het geval met tenor Michael Schade, die jeugdige kracht in zijn stem paarde aan mooie lyriek.
De andere grote publieksfavoriet was Cyndia Sieden in de rol van Königin der Nacht. Haar twee enorm lastige kukel-aria's werden met furie de zaal ingeslingerd, waarbij Sieden zich om een hoge f meer of minder niet leek te bekommeren. Prachtig trouwens haar opkomst met behulp van de elastische leden van het Pilobolus Dance Theatre. Zeer goede prestaties waren er ook van de drie dames, Monostatos (Uwe Peper) en Sarastro (Harry Peeters).
Ontroering
De echte vocale ster van de avond was in mijn oren Christiane Oelze als een onwaarschijnlijk mooi zingende Pamina. De ontroering die zij in het duet met Papageno, in haar solo-aria en in het kwartet met de drie jongens (drie schitterende Innsbrucker Capellknaben) wist op te roepen met puur vocale middelen, was groots.
Superlatieven waren in de afgelopen zes jaar moeilijk te vinden om de kwaliteiten van The English Baroque Soloists te beschrijven. Ook nu weer speelde het orkest met een onovertroffen allure, direct geopenbaard in de ouverture. De balans in het orkest is perfect en met recht worden de musici als Baroque Soloists aangeduid. Fluiten, hobo's en fagotten speelden een weergaloze hoofdrol. Aan het hoofd van dit alles stond John Eliot Gardiner, de wonderdirigent van de jaren negentig. Met superioriteit leidde hij wederom een Mozartfeest, daarbij met genoegen de vele syncopen in de partituur uitbuitend. Ik ben benieuwd of Jan van Vlijmen hem heeft kunnen strikken voor een nieuw project.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.