*

 
dossier

Archief

EEN PRACHTZAAK

GONNY TEN HAAFT − 24/01/98, 00:00

Een kwartiertje later dan gepland, stapt John H. donderdagochtend het statige pand van 'zijn' advocatenkantoor binnen. Het vervoer zat even tegen, verontschuldigt hij zich, en de champagne van de vorige avond maakte het opstaan moeilijk.

Onwennig kijkt hij rond, is dit nu het kantoor waar hij zo vaak collect vanuit de gevangenis mee belde? Dezelfde secretaresse die net de deur voor hem open deed, is dat ook de vrouw die hem telkens doorverbond met zijn advocate? “Het is nog zo onwerkelijk allemaal”, verzucht John. “Ik ben nu twee dagen vrij. Het klinkt misschien gek, maar ik heb mezelf redelijk in de hand. Misschien dat de klap nog komt, Leon en Anneke waarschuwden me daar al voor.”

Leon en John, Anneke en André. Hoofdrolspelers in de Haagse verplegerszaak die vaak de voorpagina's haalde. Allevier zaten ze vast: Anneke en Leon zes weken, John negentien maanden, André zit nog steeds. Anneke en Leon werden door de Haagse rechtbank veroordeeld wegens diefstal van persoonlijke bezittingen van bejaarden (beiden kregen taakstraf), John wegens diefstal en moord op de 94-jarige mevrouw Sloos-Fischer. John kreeg acht jaar en André levenslang omdat hij, behalve mevrouw Sloos, ook nog vier andere oude dames heeft vermoord.

John en André gingen in hoger beroep en tot ieders verbazing besloot het Haagse gerechtshof deze week tot een onmiddellijke invrijheidstelling van John. Het hof zag, na het horen van nieuwe getuige-deskundigen, onvoldoende aanwijzingen meer voor zijn schuld. De kans is groot dat het hof, dat half maart uitspraak doet, tot vrijspraak komt voor wat betreft de moord die hem ten laste is gelegd. “Ik weet dat velen zullen denken dat het bewijs weliswaar ontbreekt, maar dat André en ik het toch hebben gedaan. Alsof wij mevrouw Sloos daar smachtend naar water in haar bed zouden hebben laten liggen. Alsof mevrouw Sloos géén glaasje water gekregen zou hebben op het moment dat zij daarom vroeg. Dat kán toch helemaal niet? Zoiets doet toch geen mens?”

Toegegeven, de schijn had en heeft hij tegen. Als hij rechercheur of officier van justitie was geweest, had hij ook gedacht “een prachtzaak” op het spoor te zijn. Hij trouwde immers, enkele maanden nadat hij haar had leren kennen, met een 94-jarige miljonaire. Daartoe moest hij eerst nog even scheiden van zijn vrouw Leon, met wie hij een zoontje had dat in die tijd - we spreken over eind 1995 - net kon lopen. Met zijn zwager André sprak hij af dat hij en zijn vrouw Anneke de helft van de erfenis zouden krijgen. Een maand na haar overlijden reden beide zwagers al rond in een dikke Mercedes. “O ja, die Mercedessen”, zegt John, “de officieren van justitie vonden die zo verdacht omdat ze een opeenvolgend kenteken hadden. Ik heb dat nog nagevraagd, maar volgens de dealer is dat louter toeval. Bovendien hebben we die auto's gekocht met geld dat we al hadden, niet met geld van mevrouw Sloos. Natuurlijk wél met het vooruitzicht-op, dat zal ik niet ontkennen.'

Toen mevrouw mr. H. Michiels van Kessenich, voorzitter van het hof, maandagmiddag half vijf zijn onmiddellijke invrijheidstelling gelastte, drong het goede nieuws nauwelijks tot hem door. De felicitaties van 'Marlies' (mr. M. van Strien, zijn advocate), de zoenen van zijn tante, de opschudding in de zaal, het ging allemaal langs hem heen. Omdat de rechtszaal werd ontruimd, moest hij snel beslissen over de twee voorstellen die de parketpolitie hem deed: gewoon de zaal uitlopen of naar het huis van bewaring te Zoetermeer om zijn spulletjes te halen. “Ik koos voor het laatste, omdat ik vond dat ik het tegenover André niet kon maken om zomaar te vertrekken. We gingen samen weer naar die koude cel beneden, maar helaas was er om acht uur pas vervoer. We hebben toen drie uur zitten praten, totdat Andrés busje kwam. Terwijl er voor mij een groot rolluik openging en ik met mijn tasje naar buiten kon wandelen, reed André samen met acht andere gedetineerden weg. Ik zwaaide nog naar André, dat was heel idioot, heel dramatisch natuurlijk ook.”

“Het aanbod om toen alsnog met een busje naar Zoetermeer te gaan, sloeg ik af. Het risico dat ik daar te laat zou binnenkomen en dus niet meer naar buiten zou mogen - dat is niet ondenkbaar - nam ik voor geen goud. Ik ben toen van het Paleis van Justitie naar het station gelopen en belde daar Leon. Ze had het nieuws van mijn vrijlating al gehoord en vroeg of ik wilde komen. Omdat ik geen cent op zak had, heb ik eerst mijn tante nog gebeld. Ik moest er niet aan denken dat ze me wegens zwartrijden zouden pakken.”

Tegen middernacht belde John bij Leon aan. Sinds hun beider arrestaties hadden ze elkaar niet meer gezien. John was lange tijd woedend op zijn ex-vrouw, die veel nare dingen over hem tegen de politie heeft verteld. Leon op haar beurt besloot naar haar geboortestreek te vertrekken. De politie en haar familie raadden haar dit aan, voor haarzelf en hun zoontje Paultje leek een anoniemer bestaan beter.

“Een emotioneel weerzien”, is het enige wat John over dit eerste treffen met Leon wil zeggen. “Paultje sliep toen ik kwam, maar Leon had me al verteld dat hij rond half twee meestal even wakker wordt. Net toen ik onder zeil was, hoorde ik hem ineens praten. 'Wie is dat mama? Oma, oma, oma', hoorde hem ik zeggen. Hij zag natuurlijk alleen een bos met haar. 'Ga maar kijken', zei Leon. 'John, John, John', hoorde ik toen.”

“Nog geen vier uur later, rond half zes, stond-ie al met konijnen, beren en auto's naast mijn bed. 'Pelen, pelen', zei-ie steeds, hij bedoelde 'spelen'. Dus daar stond ik even later te schuiven met zijn grote auto, heen en weer over het tapijt. Hij accepteerde me heel snel, twee dagen lang heb ik alleen maar met hem gesjouwd. Naar de kinderboerderij en gevoetbald, dat had ik hem vanuit de gevangenis al beloofd.”

Terug in Den Haag wachtte hem woensdagavond de champagne. Met zijn tante en een nicht en neef uit Brussel vierde hij zijn 'terugkomst'.

“Een klein gezelschap, maar voor mij was het heel druk. Praten, praten, praten, net een kippenhok, vond ik. Na anderhalf jaar gevangenis ben ik weinig meer gewend. Vanuit Annekes raam keek ik op het veldje waar ik met Paultje altijd liep. Ik vroeg me af of het wel echt waar was, dat ik daar weer stond.”

Eindelijk, nu hij vrij is, kan hij spreken. Hij praat nog even makkelijk als voor de 'nachtmerrie' begon, maar is duidelijk minder zeker. Harde stellingnames laat hij opvallend vaak volgen door een vraag: 'Dat is toch zo?' 'Ik overdrijf toch zeker niet?' 'Ik ben toch niet gek, of zie ik dat nou verkeerd?'

Ruim anderhalf jaar cel maakten hem wantrouwend, maar wat hem echt tot wanhoop dreef, waren de verhoren. Guus en Gerrit, zijn twee verbalisanten, zetten hem te veel onder druk, maar Ron, een van de verbalisanten van André, verdient volgens John op staande voet ontslag. “Terwijl die vent niets met me te maken had, kwam hij plotseling met zijn maat Guus en Gerrit 'helpen'. Het was duidelijk een opzetje van hun vieren. Ron confronteerde me met een vergrote foto van mevrouw Sloos en daar begon-ie: 'Vieze vuile teringschoft dat je d'r bent, dat je dat oude wijffie hebt vermoord. Zelfs je vader heb je de dood ingejaagd (André en John zijn beiden ook verdacht geweest van moord op Johns vader, GtH). Je liet André het vuile werk doen, hoeveel pillen hebben jullie erin geduwd?' En dan moest ik antwoord geven: Zes? Vijf? Vier? Met z'n vieren pakten ze me aan, en dat in een ruimte waar je nauwelijks met vijf mensen in kunt.”

“Het beruchte verhoor van 19 september was nog veel erger. Op advies van Marlies had ik gezegd niet meer zonder advocaat verhoord te willen worden, maar ze kwamen me toch halen. Ik zei dus niks en had expres de Panorama meegenomen. Ik deed alsof ik las, maar las natuurlijk niks. Eerst begon Gerrit van die zogenaamd sociale vragen te stellen, hoe het 'op de arbeid' was, wat ik bij het sporten deed, enzovoort. Die oetlul zat anderhalf uur tegen zichzelf te praten en net toen hij het niet meer volhield, kwam Ron weer. 'Je zwager gaat een einde aan zijn leven maken en dan ben jij de hoofddader. Dan krijg je 20 jaar en TBS en laten ze je nooit meer los', brulde hij tegen me. Vervolgens deden ze voor hoe mevrouw Sloos er zogenaamd verkrampt bij lag toen de kisters van het uitvaartbedrijf haar vonden, en dat wij haar met insuline volgespoten hadden. Ze zaten zo goed in hun rollenspel, dat ik echt ging twijfelen of André haar wel goed afgelegd zou hebben. Ze gingen maar door: of ik twee dagen eerder, toen ik naast André bij de pro forma zitting zat, niet gezien had dat hij zijn buikje kwijt was. Dat André misschien wel gekker was dan zij met z'n vieren bij elkaar, en dat ze niet begrepen waarom ik Paultje niet wilde zien. Hufterig was het, Paultje is mijn zwakke plek, als ik die zou zien, wist ik dat ik zou instorten.”

“Die dag was ik echt bang, ik stond helemaal te shaken. Zelfs de rechter kritiseerde in het vonnis de verhoormethoden die bij ons allevier zijn gebruikt. Daarom kan ik begrijpen dat Leon en Anneke belastende dingen over mij hebben gezegd, ik snap nu goed dat zelfs een onschuldige gaat bekennen. En dan durfden Guus en Gerrit ook nog te beweren dat je als verdachte het voordeel van de twijfel hebt.”

En natuurlijk gingen die verhoren vooral over hem en mevrouw Sloos. Nog één keer vertelt John over die periode tussen 9 september 1995, de dag waarop hij de werkster van mevrouw Sloos ontmoette, en 6 april 1996, de dag waarop mevrouw Sloos stierf. Omdat Erica, de werkster die mevrouw Sloos al vijftien jaar had, met vakantie wilde, bood John zijn diensten aan. Enkele weken later kreeg deze zelfde Erica een telefoontje van mevrouw Sloos, dat zij voortaan de voorkeur gaf aan John. “Dan lijkt het alsof ík daar achter zit, maar mevrouw Sloos vond Erica, die trouwens maar één ochtend in de week kwam, een dom mens. Erica had haar bijvoorbeeld het 'rad-van-fortuin' op de televisie aangeraden. Vreselijk vond ze het; 'typisch Erica, om zoiets leuk te vinden', vertelde ze mij.”

Binnen een week, zegt John, stelde mevrouw Sloos al voor, hem tot erfgenaam te benoemen. “Ik weet dat wat ik nu zeg gek zal klinken, maar als je voor zulke welvarende en invloedrijke mensen werkt, gebeuren er wel vaker vreemde dingen. Als je deze wereld niet kent, kun je je daar geen voorstelling van maken. Eerst in het Gooi en later in Den Haag maakte ik ook al extravagante types mee, van die mensen die hun hele leven al gewend zijn te commanderen. Mevrouw Sloos was zó eigenzinnig, zó fel, zó slim, zó stellig, zó strijdlustig; mensen die haar hebben gekend, weten geheid wat ik bedoel.”

Juist deze eigenzinnige vrouw viel op haar verpleger John, die nooit verhuld heeft dat hij omgekeerd viel voor haar geld. “Zij wist toch heel goed wat ze deed? Als er iemand compos mentis was - de term die bij de zittingen zo vaak viel - was zij het. Toen zij de eerste versie van haar nieuwe testament met notaris Van Beek besprak, stelde deze voor, tien procent aan de dierenbescherming te vermaken en de sieraden aan haar neven. Ik vond dat best, maar zij voelde zich van haar à propos gebracht door Van Beek, waarna ze het met mijn boekhouder besprak. Die wees haar erop dat een notaris zich daar niet mee dient te bemoeien, waarna zíj - niet ik - besloot een andere notaris te gaan zoeken.”

“Mevrouw Sloos wilde dat ik het volle pond zou krijgen. 'Wat nou als uw neef komt?', vroeg ik haar. 'Daar heb ik niks mee te maken', zei ze toen, 'Mijn familie is passé. Als-ie komt, en dat doet-ie toch niet, gebied ik hem te vertrekken'. Zo standvastig was ze.”

“We hadden veel leuke gesprekken, maar ook veel twisten. Dat snapten Guus en Gerrit ook nooit: conflicten met een 94-jarige mag je kenneljk niet hebben. Mevrouw Sloos zat heel vaak te vitten op 'de zwartjes' of 'de joden', dan ging ik daar tegenin. Overigens altijd tevergeefs: joden en Scheveningers kun je niet vertrouwen, vond ze. Op de Parklaan had ze ooit een Scheveningse buurman, die had haar tuinslang geleend en nooit meer teruggegeven.”

Ook het huwelijksaanzoek, dat al snel op het erfenisvoorstel volgde, kwam volgens John van haar. Hij bestrijdt dat mevrouw Sloos niet wist dat hij vrouw en kind had, zoals de officieren van justitie suggereerden. “'Dan ga je toch scheiden', zei ze. Natuurlijk vond ik dat wel gek, maar toen ik het even later met André en Leon besprak, zag niemand veel bezwaren. We wisten allemaal dat het geen liefdeshuwelijk was; Leon sprak zelf met de advocaat die de scheiding zou gaan regelen.”

“Ik weet dat het beeld onstaan is dat ik, ten koste van anderen en gaande over lijken, uit ben op financieel gewin. Dat klopt echter niet, ik ben eerder de Bourgondiër: leven, laten leven en vooral veel lol. Ik ben gek op mooie auto's, mooie villa's, mooie kastelen, maar wie is dat niet? Ik heb meteen gezegd dat ik Anneke en André de helft van het geld zou geven. Zo ben ik gewoon, als kleuter gaf ik ook al alles weg.”

“Ik deed het ook voor het avontuur, ook dat zit in mijn karakter. Mijn nicht uit Brussel zei het gisteren nog: 'jij had altijd van die gekke streken'. Als achtjarig jochie stapte ik al in de trein naar Drenthe toen ik ruzie had met mijn ouders. Ik wilde overleven in de bossen en nam alleen een tasje met wat onderbroeken mee. Een boer vond me twee dagen later, hij gaf me eten en drinken. Echt, mijn vader heeft me vanaf het moment dat ik kon lopen tot vervelens toe moeten zoeken, ik zocht overal het avontuur.”

Puur praktisch, erkent John, zag hij wel op tegen het regelen van zo'n huwelijk. Gelukkig reageerden de ambtenaren op het stadhuis minder verbaasd dan hij vreesde toen hij meldde dat hij met een hoogbejaarde in ondertrouw wilde gaan. “De ambtenaar wilde het wel even bespreken met zijn chef, maar ook dat leverde geen problemen op.” Omdat hij er niet aan moest denken met zijn schuifelende echtgenote op het bordes te moeten verschijnen, stelde hij haar een bruiloft in haar eigen appartement voor. “Mevrouw Sloos vond dat meteen fantastisch. Later vroeg ze me nog wel of we het bestuur van de serviceflat moesten inlichten, waarop ik antwoordde daar geen behoefte aan te hebben. 'Ik ook niet', zei ze toen, 'dat doen we dus niet'.”

Nog geen kleine maand later ging mevrouw Sloos - John sprak haar nooit met haar voornaam aan - hard achteruit als gevolg van een val uit bed. De meer ervaren verpleger André, op wie mevrouw Sloos inmiddels ook zeer gesteld was, zag dat zijn zwager steeds meer moeite kreeg om haar te verzorgen. “André zag dat ik geestelijk klem zat en dat ik me afvroeg wat ik gedaan had door in dat huwelijksbootje te stappen. Ik had er echt moeite mee dat het mijn vrouw was die daar zo ziek lag. Vanaf toen heeft André haar dag en nacht verzorgd, maar dat was heus geen afspraak, zo ging het gewoon. Een betere zorg dan die van André had zij echt niet kunnen krijgen. Hij deed alles voor haar, net zoals hij eerder alles deed voor mijn moeder, vader en oma. André verdient een medaille in plaats van levenslang.”

“Ik ben toen niet meer bij haar bed geweest, maar was wel elke dag in haar woning om André te steunen en hand- en spandiensten te verrichten. Natuurlijk wordt mij ook verweten dat ik niet naar haar crematie ben geweest, maar ook dat was geen koele beslissing. Tot het laatste moment heb ik getwijfeld of ik zou gaan. Uiteindelijk zag ik ervan af omdat mijn vader op diezelfde plek een jaar eerder was gecremeerd. Dan zou ik daar nu mijn eigen vrouw gaan wegbrengen? Die begrafenisondernemers zullen wel denken, dacht ik, ik schaamde me gewoon.”

Terugkijkend heeft John spijt dat hij heeft gestolen. Hij werd veroordeeld wegens diefstal van enkele spullen uit het appartement van prinses Simone von Lippe Biesterfeld, waar hij onder andere foto's en tafelschikkingen van het koninklijk huis wegnam. Volgens justitie heeft John ook van andere ouderen veel gestolen, maar de Haagse rechtbank achtte dit niet bewezen. En het huwelijk met mevrouw Sloos? Pas achteraf heeft John naar zijn zeggen nagedacht over de bijzondere omstandigheid dat hij ziekenverzorgende was. “Het kan best zijn dat ze met dit huwelijk ook een goede verzorging wilde regelen en dat ze dacht: 'te verliezen heb ik niks, te winnen heb ik veel'. Die verzorging heeft ze overigens gekregen, André deed dat echt perfect. Ik zag mezelf ook niet als ziekenverzorger in die tijd. Alles ging zo ongelooflijk snel. Ik begon als vervanger van de werkster en binnen een week vroeg ze me al te trouwen. In het begin was dat boterbriefje een avontuur, later dacht ik, 'wat heb ik gedaan?' ”

mailIcon print |