Nog wel loyaal aan de kerk, maar niet meer tevreden met oude vormen. Dan gaan kerkgangers dansen en naar popmuziek en spannende verhalen luisteren. Een 4-delige serie over creatieve geloofsexpressie in en aan de rand van de kerk.
Iedere zondag verleidt hij kerkgangers, van Ermelo tot Amsterdam, van rooms-katholiek tot doopsgezind. “Kerkdienst is theater”, stelt hij. Het allermooiste vindt hij wanneer mensen gaan meespelen, wanneer hij ze ziet lachen of meebewegen met hun hoofd. Het moment dat de gêne wegvalt en ze weer kind worden. “Spelen is mijn leven. Dat doe je van de wieg tot het graf. Dingen die je meemaakt geef je vorm op de manier die jij wilt. Soms merk je: hé, mijn verhaal heeft iets te maken met jouw verhaal, ik zie het aan je gezicht, je houding.”
Klagend
Slechts dertig procent van zijn verhalenvertellen, denkt hij, is woord, de rest is lichaamstaal. Pete Pronk gaat ter illustratie heel rechtop staan. Het blijft een tijd stil. Dan welt er een klagend en zuiver geluid op uit zijn keel. Nu speelt hij het kyrië, dat voor hem een klacht betekent: God waar ben je? “Daar zijn geen woorden voor.”
Hij moet in de kerk bij de mensen soms heel wat weerstand wegnemen. In het oosten van het land bijvoorbeeld is het publiek soms wat wantrouwend. “Wat hebben we nu weer? Wat moet die jongen uit Amsterdam?” Om het verhaal goed over te kunnen brengen, is voorbereiding essentieel, meent Pete Pronk. Je moet de lokatie kennen en iets weten over de mensen die de kerkdienst bezoeken. Daarnaast leven zijn verhalen bij de gratie van improvisatie. “Een sirene die langskomt is goud. Dan zeg ik bijvoorbeeld: hm, goed getimed. We hebben het gisteren nog doorgenomen.” Een ander voorbeeld waar hij moest improviseren: “Een middagdienst in Ermelo. Ik raad het alle predikanten aan. Ik zat boven bij de jongeren. Ze hadden de avond ervoor een heel erg feest gehad en ik zag: wat ik ook zou doen, het zou ze geen fuck interesseren. Ze keken eens naar mij. Ik keek eens naar hen. Ze lieten een boer. Ik dacht: dat is dus zo. Nu moet ik niet heilig vooraan gaan staan. Er werd een lied gezongen, gezang 1 ofzo, iedereen ging staan, de jongeren bleven zitten, ik ging staan. Toen het lied uitgezongen was, ging iedereen zitten. Ik bleef staan en begon te zingen. Alle monden vielen open. Later stond ik beneden en keek af en toe de jongeren aan om het contact te onderhouden.”
Sommige mensen noemen Pete Pronk arrogant, waarschijnlijk denkt hij, omdat hij doet wat hij leuk vindt. “Dat vind ik een compliment”. Soms vindt hij het wel pijnlijk, maar dan houdt hij zichzelf voor dat wat hij doet wortelt in verantwoordelijkheidsgevoel. Zowel zijn moeder als zijn vrouw leden en lijden aan een ziekte waaraan een lichaam zachtjes kapot gaat, daar komt een groot deel van dit verantwoordelijkheidsgevoel vandaan. Daar komt ook een waarom-kreet vandaan die vaak basis is van zijn verhalen. Hij zal waar hij mee bezig is nooit expliciet noemen, de enige die het weet is hij zelf, maar het resoneert mee in zijn spel.
Roodkapje
Pete Pronk heeft taartjes meegenomen naar het atelier, maar voor ze opgegeten zijn, is er al een hele tijd verstreken. Hij lijkt alles om zich heen te vergeten wanneer hij vertelt. Zelfs de hond op wie hij tijdelijk past, die ligt te slapen in een mand. “WAAAAH”, brult Pete Pronk als hij de wolf van Roodkapje imiteert. Meteen daarna krijgt hij de wakkergeschrokken hond in de gaten. “Sorry”, zegt hij berouwvol tegen het dier.
Naast het zelf verhalen schrijven, ze vertellen en lesgeven, vertelt Pete Pronk bijbelverhalen. Hij verandert ze niet, maar benadert ze vaak vanuit een ander perspectief of gaat uit van een detail. “Ken je het bijbelverhaal van de gek op het kerkhof?” “Eh . . .” “Dat Jezus de boze geesten uit hem dreef die daarna introkken bij een kudde varkens.” “Ooooh ja.” “Ja! Zo reageert iedereen”, zegt Pete Pronk triomfantelijk. “Iedereen weet van de varkens, maar ik vind die gek die ronddoolt op het kerkhof veel treffender. Daar raakt het verhaal mij op dit moment. Ik ken die eenzaamheid, die schreeuw.” Hij is even stil. Fluistert dan geheimzinnig: “Er lopen dertien figuren door de schemer, ze zijn niet op hun gemak, ze huiveren. Links en rechts zijn graven. Verderop zit een man in een kuil in de grond onder de aarde, hij staart voor zich uit. Hij heeft stemmen in zijn hoofd. 'Ik wil dat ze me horen, ik wil niet dat ze me horen'. Pete Pronk beweegt rusteloos heen en weer terwijl hij de gek tot leven brengt. “De man wil zichzelf verwonden, hij slaat zich met stenen. Iedereen vlucht voor hem, behalve één. God, Jezus nog an toe wat wil je van me!?” Pete Pronk onderbreekt het verhaal. “Je speelt mensen aan het licht. Ik geef de gek bloed, body. Zweet. Een verhaal moet zweet hebben. Een verhaal moet ruiken.”
Therapie
Vertellen is therapie, zegt hij stellig. “Je kunt na het vertellen ineens heel erg gaan lachen of huilen.” Zelf heeft hij nu privéles. Na een les kan hij soms wel uren janken. “Je trekt steeds allemaal laadjes open waarvan je het bestaan niet vermoedde. Een mens heeft zoveel stemmen. Je raakt nooit uitgeleerd.”
Pete Pronk kan zich ook niet voorstellen dat hij op z'n 65ste uitverteld is en met pensioen gaat. “Nee, hoe ouder ik wordt, hoe mooier m'n kop wordt. Groeven, borstelige wenkbrauwen. Echt oude mensen zijn de beste vertellers. Die hebben van die lichtjes in hun ogen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.