*

 
dossier

Archief

Frustratie en ongeloof op hoofdkantoor Landbouwschap

GEORGE MARLET − 07/10/95, 00:00

DEN HAAG - Boven de receptie van het Landbouwschap-hoofdkantoor in Den Haag hangt een groot spandoek met de vraag 'Wat brengt de toekomst?' Het meest gewenste antwoord weten de 260 werknemers al: zekerheid over het voortbestaan van het schap en dus van hun baan.

Voorlopig zit er voor de medewerkers echter weinig anders op dan afwachten of werkgevers en vakbonden in de land- en tuinbouw een oplossing voor hun conflict weten te vinden. Gevoelens van frustratie, machteloosheid en ongeloof strijden om de voorrang, want de medewerkers hebben part noch deel aan dat conflict.

De sfeer in het kantoorpand aan het statige Prinsevinkenpark (150 werknemers) en op de gewestelijke kantoren, waar nog eens 110 mensen werken, is niet al te best. Het werk gaat door, zo goed en zo kwaad als dat gaat. De verbondenheid met de boeren en tuinders en hun medewerkers is groot: veel medewerkers van het Landbouwschap komen zelf uit agrarische families of in ieder geval van het platteland. De boeren en tuinders mogen niet ook nog eens de dupe worden van een 'Haags' conflict.

De protestuitingen beperken zich op het hoofdkantoor tot wat spandoeken en borden en het aanbieden van een petitie en een brochure aan het bestuur. Daarin wordt aangegeven wat de gevolgen zijn van de opheffing voor de Nederlandse land- en tuinbouw. Voorzitter Alfred van Lenthe van de ondernemingsraad: “Er zijn wel collega's die hardere acties willen, maar het leegkiepen van een vrachtwagen met aardappels of van een gierkar zou op dit moment averechts werken.”

Groot

De onrust onder de werknemers is volgens Van Lenthe en vice-voorzitter Hil Kuypers groot. “Zeker de oudere collega's, die vaak een eigen huis en een gezin hebben, maken zich behoorlijk veel zorgen. Hun toekomst staat op het spel.”

Pikant genoeg zijn twee vakbonden direct verantwoordelijk voor de sociale onrust. De voedingsbonden van FNV en CNV besloten twee weken geleden om de procedure voor opheffing van het Landbouwschap in werking te zetten. Van Lenthe: “Die mededeling is hier erg hard aangekomen. Te meer omdat de inhoudelijke discussie over taken en werkwijze van het Landbouwschap nog moet beginnen. Het op voorhand weggooien van het kind met het badwater, wat dit besluit in feite inhoudt, was voor ons een complete verrassing.”

Het besluit tot opheffing was volgens de bonden onontkoombaar nadat de werkgeversorganisatie LTO-Nederland niet bereid bleek af te zien van voorstellen om lagere loonschalen in de land- en tuinbouw in te voeren en werknemers flexibeler te kunnen inzetten. “Opheffing van het Landbouwschap is een drukmiddel in een conflict waarbij het schap geen partij is”, vat algemeen secretaris Gerrit Kok de huidige toestand samen.

Hij verwacht niet dat het schap wordt opgeheven; daar is het werkgevers en bonden niet om te doen. “Maar we zitten voorlopig wel in een verschrikkelijk lastig proces, waarbij het CAO-conflict en een andere opzet van het Landbouwschap door elkaar heen lopen. Daar moet je heel serieus mee omgaan.”

Over vijf weken moeten de bondsraden van beide vakbonden zich uitspreken over de voorgenomen opheffing. Dat geeft alle betrokkenen nog tijd om naar een oplossing te zoeken, zonodig - suggereert Kok - met hulp van een bemiddelaar. Blijft een oplossing uit en wordt de opheffing van het schap doorgezet, dan zal het nog zeker enkele jaren duren voordat er daadwerkelijk sprake is van opheffing en het overhevelen dan wel verzelfstandigen van taken.

Een van de weinige positieve gevolgen van alle opschudding is dat zeker de boeren en tuinders zich meer bewust worden van het belang van het Landbouwschap. Secretaris Kok: “Wat wij allemaal doen, dat is in het verleden te veel buiten beeld gebleven. De gevolgen van een eventuele opheffing zijn nog niet eerder zo pregnant zichtbaar geworden. Wat dat betreft kan deze periode louterend werken, maar je moet er wel voor waken dat wanneer het Landbouwschap zou verdwijnen, pas daarna duidelijk wordt wat men mist. Dan ben je namelijk te laat.”

Het Landbouwschap bestaat nu 41 jaar. Het heeft als zogeheten publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (pbo) de bevoegdheid regels en voorschriften voor de land- en tuinbouw te maken en heffingen in te stellen. Die heffingen, verplicht voor alle 120 000 boeren en tuinders in Nederland, leveren per jaar zo'n 200 miljoen gulden op. Die worden onder meer besteed aan (praktijk)onderzoek, gezondheidszorg voor planten en dieren, onderwijs en voorlichting. De ondernemingsraad van het Landbouwschap heeft uitgerekend dat bij opheffing behalve de 260 eigen banen nog eens zo'n duizend arbeidsplaatsen op de tocht komen te staan.

Binnen het Landbouwschap heeft LTO-Nederland (begin dit jaar ontstaan uit de fusie van de algemene, christelijke en katholieke boerenbonden) de discussie aangezwengeld over de toekomstige taken van het schap. De belangenbehartiging richting overheid en andere partijen, sinds 1967 bij het Landbouwschap ondergebracht, wil LTO-Nederland zelf ter hand gaan nemen, vooral om zich bij de boeren en tuinders meer te kunnen profileren. Een onderhandelingsresultaat van LTO-Nederland zal meer aanspreken dan van het schap, dat veel 'heffingplichtigen' toch vooral zien als een abstract orgaan dat alleen maar geld kost. Bovendien hoopt de organisatie zo actiegroepen als de succesvolle varkenshoudersbond van Wien van den Brink de wind uit de zeilen te nemen.

De discussie over het Landbouwschap-nieuwe-stijl was volgens secretaris Kok al een aardig eind op streek toen het CAO-conflict er tussendoor kwam. “We waren op het punt aangeland dat we konden definiĆ«ren wat we nog samen willen doen. De vakbonden hebben gepleit voor milieu, markt en arbeid een gemeenschappelijke aanpak te blijven hanteren. De LTO zat eerst sterk op de lijn van 'dat doen we voortaan zelf', maar daar groeit nu het besef dat gezamenlijkheid toch ook z'n waarde heeft.”

Anders

De ondernemingsraad beoordeelt de situatie anders. Volgens vice-voorzitter Kuypers heeft LTO-Nederland voor groot onbegrip gezorgd bij de bonden door nog geen twee weken na de eerste besprekingen over de toekomst van het landbouwschap volledig op zijn schreden terug te keren. Dat optreden heeft de bonden bij de CAO-onderhandelingen extra geprikkeld. “Je kunt spreken van een vertrouwenscrisis.”

mailIcon print |