*

 
dossier

Archief

Een rokkostuum hoort er bij

FRANZ STRAATMAN − 01/02/96, 00:00

Wie is de ware liefhebber van kunst? De beroeps die veertig keer om den brode hetzelfde stuk speelt? Of de amateur die weliswaar gedijt bij publieke aandacht, maar die genoegen neemt met een expositie in de plaatselijke bibliotheek? De Tweede Kamer wil meer aandacht voor de beoefening van amateurkunst, en staatssecretaris Aad Nuis is het daarmee eens. Maar waarom, omdat de amateur, soms 'de kunstzinnige burger' genoemd, een intensieve bezoeker van professionele kunst blijkt? Of vanwege de eigen merites van de amateur? Deze weken onderneemt Trouw een speurtocht naar de oprechte liefhebber. Vandaag: dirigent Menno van Duuren.

Een echt concert, helemaal in de stijl en de cultuur van het grote orkest dat doorgaans plaats neemt in de uitstekend klinkende concertzaal van Twente. Bij dat professionele ensemble, vroeger Forum Filharmonisch, thans het Orkest van het Oosten geheten, werkt Menno van Duuren. Niet als musicus, maar als hoofd van de publiciteit. Ook opera behoort tot zijn werkterrein want de Nationale Reisopera, vroeger Opera Forum, maakt gebruik van dezelfde faciliteiten als het nu zelfstandige orkest.

Thuisgekomen legt de 35-jarige Van Duuren die hele handel van concert- en operapromotie, van beleidsplannen helpen formuleren en strategieën ontwerpen om sponsors binnen te halen, van zich af. Dan trekt hij in figuurlijke zin het kostuum van een dirigent aan, verdiept zich in partituren, schat de moeilijkheidsgraad in voor zijn jeugdige musici, bedenkt programma's voor de twee halfjaarlijkse concerten en bereidt de wekelijkse repetitie voor op zaterdagmorgen van zijn jeugdorkest.

Amateur met de amateurs, liefhebber met de liefhebbers. Zelf had Van Duuren al vroeg de smaak te pakken. Toen hij zo'n zes jaar was, kreeg hij een blokfluit in de hand gedrukt, maar na een drietal jaren raakte hij in de ban van de dwarsfluit. In een ensemble te spelen, was zijn liefste wens. Hij had er best een wachttijd voor over die hij invulde als slagwerker, om uiteindelijk als fluitist mee te kunnen spelen in het orkest van de muziekschool in zijn woonplaats Hengelo.

De liefde werd niet zó'n hartstocht dat hij voor de beroepskant van het musiceren koos. Duits studeren leek hem nog leuker en via die taalstudie in Utrecht ontdekte hij de vergelijkende literatuurwetenschap waarin hij afstudeerde. Nee, schudt hij het hoofd, leraar zijn trok hem niet, met de wetenschap zag hij ook geen toekomst en zo verzeilde Van Duuren in de journalistiek: bij het blad van de Universiteit Twente. Vrouwe Musica werd evenwel geen moment veronachtzaamd, zo blijkt uit zijn relaas.

“Ik interesseerde me ook sterk voor de theoretische kant van de muziek: de geschiedenis, de stijlen, de opbouw van composities. Er diende zich de mogelijkheid aan om in de avonduren een dirigentenopleiding te volgen. De bedoeling er van was om uit de amateurorkesten assistent-dirigenten te kweken, om groepsrepetities te leiden, waardoor de kwaliteit verbeterd kon worden. Ik speelde toen in een Hengeloos amateurorkest met volwassenen; de gemiddelde leeftijd schat ik op zo'n vijftig jaar. Toen na een paar jaar onze dirigent met pensioen ging, werd ik gevraagd of ik misschien zin had zijn taak over te nemen. Drieëntwintig was ik.”

“Het was echt spannend. Daar sta je dan voor een veel oudere club. Niet zo groot, een kamerorkestformatie. Wat ik dirigeerde? Schuberts Rosamunde-muziek, dansen van Beethoven, een symfonie van Haydn, later ook wat avontuurlijker dingen als een klarinetconcert van Jurriaan Andriessen. Vijf jaar later kreeg ik een aanbod uit Enschede, of ik bij het Enschedees Jeugdorkest wilde komen. Toen zo'n vijftig musici tussen 12 en 25 jaar; nu zijn we met zo'n 65 leden en vormen we een complete symfonische bezetting. Het aanbod aan violisten, vooral meisjes, is de laatste jaren flink toegenomen. ”

Op het podium van het Muziekcentrum een keurig gezelschap in zwart- wit. “Natuurlijk”, reageert Van Duuren. “In de klassieke cultuur moet je je op een waardige manier presenteren. Ook al is het een amateurorkest, een jeugdorkest bovendien, toch moet je alles zo goed mogelijk doen. Als dirigent zeg ik ook niet: het maakt niet uit of we wat minder zuiver spelen, of dat het ritmisch niet klopt. Neen, je wilt juist het best mogelijke bereiken, er uithalen wat er in zit. Hoe je er bij zit op het podium, is er een onderdeel van. Een rokkostuum hoort er bij.”

Vóór het concert begint, een toespraak, van de wethouder van cultuur nog wel. Want het Enschedees Jeugdorkest heet niet langer Enschedees, maar Twents, en daar kunnen de jongens en meisjes trots op zijn, want, stelt de wethouder, alles wat van niveau is in Enschede heet Twents: de universiteit, het rijksmuseum, het regionale dagblad, ja zelfs het openbaar vervoer. Waarom dan het jeugdorkest niet dat immers ook regionaal zijn aanhang kent. Een nieuwe hoofdsponsor, een internationaal bekend kwaliteitsbedrijf op het gebied van techniek en gevestigd in de regio, heeft zich zelfs verbonden aan het groeiend elan van de jeugdige regio-muziek.

“Daar heb ik niet voor hoeven zorgen; ik maak ook de persberichten niet; er is een bestuur dat dit soort dingen allemaal regelt”, verzucht dirigent Van Duuren als ik hem vraag of de pr-man Van Duuren hem ook in de vrije tijd van dienst is. Ook over subsidies ('ze zijn nodig voor amateurs') maakt hij zich niet druk en een beleidsplan voor zijn orkest ('ik kan het zo uit de mouw schudden') stuurt hij staatssecretaris Nuis niet toe.

“Het is juist zo heerlijk dat ik me helemaal op de muziek kan richten. Of ik daar met beroepsdirigenten of met musici uit het Orkest van het Oosten over spreek? Eigenlijk niet. De wereld van de beroepsmuziek en van die van de amateur zijn zo verschillend van elkaar. Van niveau en van mentaliteit. Met chefdirigent Bellini heb ik het wel eens over de techniek van dirigeren gehad. Als het werk het toelaat, ga ik naar een repetitie kijken, luisteren wat en hoe hij het doet. Maar daar houdt het mee op. Ik voel ook niet de ambitie om het beroep in te gaan; ik zal nooit vragen: mag ik eens een groepsrepetitie leiden, of iets dergelijks. Daar heb ik de opleiding en de bagage niet voor.”

De fluit wordt nauwelijks meer bespeeld. Het dirigeren biedt alle voldoening, zo blijkt. “Het geeft je een kick als je hoort dat dingen goed lopen, dat je voor elkaar krijgt wat je je voorstelde aan klank en expressie. En het is leuk om met zo'n jeugdig ensemble om te gaan. Je vormt een hechte club. Dat merk je vooral op repetitie-weekeindes, als we ook lekker feesten na het spelen. Ik raak nooit op ze uitgekeken, en zij niet op mij, want iedere paar jaar verdwijnt er weer een flink deel van de leden. Dat betekent ook dat je voortdurend opnieuw moet beginnen met repertoire-opbouw.”

“De meeste muziek die we doen, komt uit de vroege romantiek. Jonge mensen, amateurs, spelen het liefst dingen waar ze veel in kwijt kunnen aan energie, emotie. Meeslepende melodieën, effecten, hartstocht, als die goed in een stuk vertegenwoordigd zijn, voel je het enthousiasme. Amateurs willen lekker kunnen spelen. Iets moeilijks of iets moderns wordt overigens niet afgewezen. Een aantal jaren geleden schreef Peter van Onna - hij was compositie-leerling hier in Enschede - voor ons het orkestwerk 'Lila'. Gecomponeerd op onze mogelijkheden, werd het een spannende belevenis. Wat ik nooit doe: Mozart. Die muziek is zo kwetsbaar. De ouverture 'Zauberflöte' ging net.”

Met een strakke slag, van klein tot middelgroot in gebaar, slaat Van Duuren de maat. Hij onthoudt zich vrijwel van wilde uithalen; het orkest moet kunnen varen op de zekerheid van zijn tik, stelt hij. Het eerste programmanummer, een 'Thema en variaties voor klarinet en orkest' van Rossini, komt wat timide op gang in de strijkers. Maar als solist Frank Uuldriks (conservatorium-student, ook lid van Symfonia Jong Twente) zijn virtuoze klimpartij langs het instrumentale belcanto begint, durft het orkest ook meer. En het groeit via Brittens 'Soirées musicales' (dirigent Van Duuren verhult bij het applaus zijn boosheid over ongelukkige passages achter een glimlach) naar een fris van de lever strijkende, blazende en slagwerkende club in de London Suite en The Dam Busters March van Eric Coates.

Menno van Duuren bedankt onberispelijk voor het applaus, neemt zelfs twee bossen bloemen in ontvangst en laat zich het liefhebbend gejoel van zijn eigen orkestleden wel gevallen. Je moet Gergjev, Bernstein (een idool van Van Duuren vanwege diens Mahler-interpretaties) of een andere grootheid zijn, wil een beroepsorkest zo zijn aanhankelijkheid betuigen. Bij amateurorkesten, de jeugdigen zeker, komt het vaker voor: de juichkreten van liefhebbers. Maar de ernst en inzet zijn er niet minder om. Het rokkostuum past er perfect bij.

mailIcon print |