Van een onzer verslaggevers UTRECHT - De huidige maatregelen op het gebied van natuur- en milieubeheer kunnen de achteruitgang van de zoetwatervissen in Nederland niet keren.
Sinds het begin van deze eeuw zijn acht soorten uitgestorven, waaronder steur, zalm en houting. Van de resterende 38 soorten lopen er zeker twintig gevaar.
Dit schrijft de Natuurbeschermingsraad in een (ongevraagd) advies aan staatssecretaris Gabor van natuurbeheer. Volgens de raad is het van groot belang dat de doelstellingen van het milieubeleid worden gehaald en dat beheerders van wateren, terreinen en de visstand meer samenwerken om geschikte gebieden voor zoetwatervissen te scheppen.
Hoewel zoetwatervissen populair zijn bij beroeps- en sportvissers, vormen zij wat onderzoek en dergelijke betreft, een vergeten diergroep. Daardoor is de kennis van de ecologie en de verspreiding gering en bestaat er geen duidelijk beeld van de ontwikkeling van de visfauna. De raad noemt dit een grote handicap voor de bescherming en het beheer.
Ook het rapport 'Toestand van de natuur' van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij, dat begin deze maand verscheen, noemt de ontwikkeling van de visfauna negatief. Volgens dat rapport bereikten de grote rivieren wat betreft het voorkomen van vissen een dieptepunt in de jaren zeventig. Tot de oorzaken behoren onder meer de verslechtering van de waterkwaliteit, de afsluiting van de meeste trekroutes (onder meer door de Deltawerken), de afname van zand- en grindbanken door kanalisatie, het verdwijnen van dieptes en ondieptes door aanpassingen van oevers en het verlies van voedselorganismen.
De Natuurbeschermingsraad schrijft in zijn advies dat de waterkwaliteit ondanks de maatregelen uit het Milieubeleidsplan in een aantal opzichten verder achteruit zal gaan. De Rijn is niet langer geschikt voor soorten als zalm, elft en flint. De situatie kan verbeteren, wanneer de vervuiling tot aanvaardbare niveaus wordt teruggedrongen, maar een volledig ecologisch herstel acht de raad niet haalbaar.
Veel leefgebieden van zoetwatervissen zijn, onder meer door ingrepen in de waterhuishouding, verloren gegaan. Volgens de Natuurbeschermingsraad is grootschalige ontwikkeling van gevarieerde, waterrijke natuurgebieden noodzakelijk. Als voorbeelden noemt de raad de Grensmaas en de Gelderse Poort. Ook op kleinere schaal kunnen leefgebieden in meren, sloten en plassen worden hersteld.
Daarvoor is goede samenwerking nodig tussen de beheerders van wateren, terreinen en de visstand. De raad stelt voor beheerscommissies in te stellen; deze samenwerking moeten de waterschappen in hun beheersplannen opnemen. Het opheffen van barrieres voor zoetwatervissen, zoals stuwen en dammen, door de aanleg van vispassages is weliswaar belangrijk, maar de raad waarschuwt voor een te groot optimisme. Deze passages hebben alleen zin wanneer zij deel uitmaken van een programma voor het herstel van leefgebieden. Voor kwetsbare soorten als zalm en steur ontbreekt hiervoor het perspectief; wel zijn er mogelijkheden voor minder kwetsbare soorten als beekforel, paling en grote en kleine marene.
De raad meent dat activiteiten zoals scheepvaart, visserij, recreatie en landbouw in principe voldoende ruimte kunnen bieden voor de ontwikkeling van een gevarieerde visfauna, mits deze verstandig plaatsvinden. In natuurgebieden is visserij alleen mogelijk wanneer dit past in het terreinbeheer; beheerders en sportvissers moeten hierover goede afspraken maken.
Door de ligging aan de monding van internationale rivieren als de Rijn en de Maas vervult Nederland een belangrijke functie voor trekvissen. Soorten als rivierprik, elft, zalm, steur, houting en fint gebruiken de rivieren als verbindingswegen tussen de paaigebieden in de ons omringende landen en de opgroeigebieden in de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Nederland moet daarom een voortrekkersrol vervullen om de kwaliteit van Rijn, Maas, Schelde en grensoverschrijdende beken te verbeteren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.