De expositie 'Vergeten eilanden, het mysterie van de Zuidoost-Molukken' in het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden is tot en met 25 augustus 1996 dagelijks behalve maandag te zien van 10 tot 17 uur, in het weekeinde van 12 tot 17 uur. Nico de Jonge en Toos van Dijk schreven een catalogus met dezelfde titel over kunst en cultuur van Maluku Tenggara, uitgave Periplus Editions Amsterdam (prijs ¿ 79,50).
Met een schok blijft het groepje Molukkers voor het houten beeld staan. Ze maken een rondgang door het depot van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden en opeens staat daar Werwat. Tachtig jaar geleden is de sculptuur weggevoerd van Klein-Kei. Wel twee eeuwen lang heeft het voorouderbeeld op dat eiland van de Zuidoost-Molukken als symbool van de vruchtbaarheid gediend. Het heeft de bevolking beschermd tegen onheil en ellende en is aanbeden om te zorgen voor een goede oogst. En nu staat dat beeld van hun voorouders plotseling in Leiden voor hen.
Zelf hebben zij Werwat op Klein-Kei nooit kunnen zien; in 1914 was het meegenomen door een majoor uit het Nederlands-Indische leger en bij het Leidse museum afgeleverd. De Molukkers wonen al jaren in Nederland, maar ze herkennen Werwat uit de verhalen en foto's van Maluku Tenggara, de Zuidoost-Molukken. Het beeld heeft sinds mensenheugenis op een berg bij het dorp Gelanit gestaan, onder de beschutting van een boom bij een heilige steen. Het moet de vrouw van de stichter van Gelanit voorstellen, de mitu of dorpsbeschermer. Volgens een verhaal uit de Molukken zou de eerste man die door de godheid via een ketting op aarde was neergelaten dit beeld hebben opgericht. Anderhalve meter hoog, de armen voor de buik gekruist, eenvoudig gesneden en ontroerend ingetogen. Het werd geflankeerd door een kleiner beeld, mogelijk een dochter voorstellend.
In 1911 had een rondreizende fotograaf uit Nederland geprobeerd Werwat van de oude dorpspriester te kopen, maar daar was toen nog geen denken aan. Gelanit zou uitsterven, vreesde de priester, en alles zou te gronde gaan wanneer Werwat van haar plaats zou worden gehaald. Enkele jaren daarna verdween het beeld toch van het eiland, zoals zoveel uitingen van de vooroudercultus uit Maluku Tenggara zijn meegenomen.
Tachtig jaar later schrikken de Molukkers bij de aanblik van Werwat in het Leidse museum, aan de vooravond van de expositie over de Zuidoost-Molukken, 'Vergeten Eilanden'. De leider van het groepje schakelt onmiddellijk over in de lokale taal van Klein-Kei, heet het beeld welkom en maakt excuses voor het feit dat Werwat zo ver van huis is geraakt. “Je komt binnenkort op een tentoonstelling te staan”, hoort de conservator van het museum, Pieter ter Keurs, de Molukker zeggen. “Maar dat is voor een goed doel, om onze cultuur meer bekendheid te geven.”
Het voorval met Werwat is tekenend voor de voorouderverering van Zuidoost-Molukkers. Het geloof dat er een permanente band bestaat tussen overledenen en nabestaanden leeft nog steeds, maar is op de achtergrond geraakt. Afgelopen woensdag, één dag voor de opening van de tentoonstelling in het 'Volkenkundig', brengt de directeur van het museum op Ambon in Indonesië een bezoek aan Leiden en beweert hij dat Klein-Kei nooit voorouderbeelden heeft gekend. Even later staat hij met open mond voor de vitrine van Werwat. Over vergeten eilanden gesproken.
Maluku Tenggara is een van de onbekendste en meest geïsoleerde regio's van Indonesië, een bijna duizend kilometer lange keten van dunbevolkte eilandjes tussen Timor en Irian Jaya (het voormalige Nieuw-Guinea). Ondanks de naam zijn er grote culturele verschillen met de Midden-Molukken zoals Ambon en Seram. Huizenbouw, textielprodukten, sieraden en beelden tonen veel meer verwantschap met Irian Jaya.
De meeste Zuidoost-Molukken zijn moeilijk bereikbaar, alleen de oostelijke eilanden hebben een landingsplaats voor vliegtuigjes. Toeristen bezoeken het gebied zelden. De enige westerlingen die er in deze eeuw voor langere tijd zijn geweest, waren Nederlandse bestuursambtenaren en militairen, wetenschappers, zendelingen en missionarissen. De afgelopen twintig jaar waren de westelijke eilandjes van Maluku Tenggara zelfs nagenoeg verboden gebied, vanwege de oorlog op Oost-Timor.
Maar het isolement van de eilandengroep bestaat al veel langer en kan voor een groot deel op het conto van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) worden geschreven. Vrijwel direct nadat de Hollanders in het begin van de 17de eeuw Indië veroverd hadden, werd de produktie en handel van specerijen gemonopoliseerd. De lokale economie, die voor die tijd gekenmerkt werd door een levendige ruilhandel in de regio van allerlei goederen, werd volkomen ontwricht. Slechts op een beperkt aantal eilanden mocht de specerijencultuur worden bedreven en de levering diende exclusief voor de VOC te zijn. Overtredingen werden zwaar bestraft: in 1621 werd bijna de hele bevolking van de nootmuskaat- en foelie-eilanden in de Banda-Zee (15 000) verjaagd of om zeep gebracht. De teelt van kruidnagelen en nootmuskaat op de Zuidoostelijke Molukken werd opzettelijk vernietigd, militaire expedities werden uitgezonden om clandestien geplante bomen te kappen.
De Amsterdamse grachtengordel voer er wel bij, op de eilanden van de Zuidoost-Molukken werd echter honger geleden: de bevolking was van haar ruilmiddelen beroofd en kon zich geen sago en rijst meer aanschaffen. Soms kwamen de eilandbewoners ('die stijfhoofdige eilandsvolkeren') in opstand - bijvoorbeeld tegen een handelsverbod -, maar de Hollanders wisten daar wel raad mee. Ook toen de VOC aan het einde van de 18de eeuw failliet was gegaan en de Nederlandse staat het bestuur over het gebied had overgenomen, werd het er voor de Zuidoost-Molukken nauwelijks beter op.
De zendelingen kwamen en ook de missionarissen streken op de eilanden neer. Met hun komst en met die van de bestuursambtenaren onderging Maluku Tenggara een rigoureuze 'beschaving' en kerstening. De gevolgen voor de lokale cultuur, die al een eeuwenlange ontwikkeling had doorgemaakt, waren zeer ingrijpend. Voorouderverering werd verboden. Rituelen, liederen en gebeden werden taboe verklaard. Beelden werden op last van zendelingen vernietigd, verbrand of (de mooiste exemplaren) ingepikt. De rooms-katholieke missie ging iets soepeler met de verering van voorouders om en soms brachten paters een soort symbiose tot stand tussen de traditionele dodencultus en de christelijke viering van Allerzielen.
Drie eeuwen Nederlandse overheersing hebben diepe sporen achtergelaten op de Zuidoost-Molukken. Maar cultuurpatronen laten zich moeilijk uitroeien, stelden Toos van Dijk en Nico de Jonge na antropologisch onderzoek in de archipel vast. Ze schreven de resultaten van hun veldwerk op in een boek 'Vergeten eilanden' en inspireerden het Rijksmuseum voor Volkenkunde tot een expositie met dezelfde titel. Maluku Tenggara bezit een cultuur die rijk en uniek is, menen zij, maar waarvan de uitingen op de eilanden zelf in veel gevallen verdwenen zijn. Verbrand of vernietigd door christelijke predikers. Verdwenen, zoals het dochterbeeld van Klein-Kei dat vermoedelijk op Ambon is zoekgeraakt.
Wat dat betreft is het een geluk dat Werwat begin deze eeuw in Leiden terecht is gekomen en dat de hemelgodheid Lamiaha en vele andere beelden in 1913-'14 door de Duitse etnoloog Müller-Wismar zijn verzameld en naar een museum in Berlijn zijn verstuurd. Zo hebben ze de beeldenstorm overleefd. En zo konden het boek en de tentoonstelling 'Vergeten eilanden' gemaakt worden.
Mensen afkomstig uit de Molukken verbazen zich erover dat er toch nog zoveel bewaard is gebleven. “Hoe verwesterd ze ook zijn, ze raken er toch van onder de indruk”, zegt conservator Ter Keurs. “Als we ze een beeldje in handen geven, durven ze het niet aan te pakken. De achtergrond van die voorwerpen zit er nog heel duidelijk in. En dan te bedenken dat mensen van de Zuidoost-Molukken zich altijd heel erg hebben aangepast aan de situatie in Nederland; met het RMS-ideaal wilden ze nooit zoveel te maken hebben.”
Nico de Jonge ging begin jaren tachtig voor onderzoek naar Babar, net als andere eilanden van Maluku Tenggara een 'blinde vlek' op de kaart van de antropologie. “Door het gedrag van Nederlanders is het gebied in de vergetelheid geraakt. Dat heeft mij extra gemotiveerd om daar onderzoek te gaan doen, om iets goed te maken. Het zijn arme eilanden. Ook Ambon behandelt ze als een achtergebleven gebied. De bewoners hebben hun zelfrespect verloren, zijn in zichzelf gekeerd. Het is ze ingegeven dat ze niets voorstellen - boeren zijn het en boeren moeten hun mond houden. Terwijl ze een prachtige cultuur hebben. En een boeiende religie, die echter onder een laagje vernis van het christendom zit en nog steeds onderdrukt wordt. Als je met voorouderbeelden in de weer bent, word je voor heks uitgemaakt.”
In de vrouwenbeelden, de luli ('heilig'), waarin vaak de eerste vrouwelijke voorouders zijn uitgebeeld, valt het motief van de boot op - een symbool dat trouwens toch een stempel drukt op de cultuur van de Zuidoost-Molukken. De boot staat voor huis, de wereld wordt voorgesteld als een boot met bemanning. De vrouw wordt vergeleken met een boot op het strand, die wacht op een man die wil gaan varen. Op een aantal beelden is een boot afgebeeld op de plaats van de vagina, als baarmoeder, als symbool van nieuw leven.
De cultuur van de Zuidoost-Molukken wordt bovendien gekenmerkt door een voortdurend denken in tegenstellingen: hemel en aarde, man en vrouw, hitte en en koelte. Ze representeren polen die bij elkaar horen om de mens, de samenleving en de hele kosmos te kunnen laten functioneren. Dat denken in tegenstellingen wordt zichtbaar in de gouden sieraden, in basta (importdoeken die gebruikt werden als hoofd- of lendedoeken en als bruidsschat), in het aardewerk en in gevlochten voorwerpen.
Op de tentoonstelling in Leiden is het bootmotief gebruikt als ruimte waar de essentie van de tentoonstelling wordt uitgelegd, in een audio-programma en in kijkkasten over de Molukken. Twee houten dorpswachten uit de Babar-archipel bewaken de toegang naar de zaal waar de voorouderbeelden zijn opgesteld - Werwat, maar ook huisaltaren en kleine godenbeeldjes ('broekzakgoden') die meegenomen werden op reis - en naar de ruimte waar de porka centraal staat, het vruchtbaarheidsritueel waarbij wekenlang werd gefeest en gesmeekt om een goede oogst of het einde van een epidemie of een hongersnood. De tentoonstelling 'Vergeten eilanden' wordt omlijst met foto's die de Nederlandse pater Drabbe aan het begin van deze eeuw van de bevolking van de Zuidoost-Molukken maakte, en met de verkoop van hedendaags houtsnijwerk en geweven stoffen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.