*

 
dossier

Archief

Het belang van het kind veronachtzaamd

RENÿ HOKSBERGEN − 16/01/96, 00:00

De auteur is hoogleraar adoptie aan de Universiteit Utrecht en directeur van het Adoptie Centrum.

In haar notitie stelt de staatssecretaris, dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking niet in huwelijksverband leeft. Het familierecht zou daarom aanpassing verdienen. Haar uitgangspunt is: “in het belang van het kind verdient effectief familie- en gezinsleven, ook als dat niet een traditioneel gezin betreft, adequate juridische bescherming, wanneer de personen in een bestendige relatie een kind verzorgen en opvoeden”. Wie vervolgens een heldere uitwerking verwacht van wat 'in het belang van het kind een effectief familie- en gezinsleven' is, wordt teleurgesteld.

Enkele groepen

De nota gaat ten principale uit van wat enkele groepen volwassenen, bewust of onbewust alleenstaande ouders, bijna altijd vrouwen, en homoseksuele paren, als hun belang zien: Het belang om een kind te krijgen, eventueel via adoptie en vervolgens de ontstane 'leefvorm' volkomen gelijkwaardig aan het gewone gezin te beschouwen. Het is immers voor sommigen alleen het 'warme nest' dat telt?

Ik zie dit fenomeen als symptoom van een emancipatiestreven van deze groepen ten opzichte van het gewone gezin en de gewone voortplanting. Een emancipatiestreven van de groep homoseksuelen dat in algemene zin steun verdient, maar dat op deze wijze uitgevoerd over de hoofden van kinderen heengaat.

De notitie van mevr. Schmitz heeft hiervoor nauwelijks oog. Dat blijkt al uit het niet noemen van de Verklaring van de rechten van het kind. Daarin is bijvoorbeeld sprake van van het recht op behoud van identiteit (art.8) en het recht dat met zijn mening rekening wordt gehouden (art.12). Principes die we ook terugvinden in de in 1993 door een groot aantal landen ondertekende Verklaring ter bescherming van kinderen en samenwerking bij interlandelijke adoptie (17e zitting Haagse conferentie internationaal privaatrecht).

Wat houdt recht op behoud van identiteit in? Onder andere dat de afstammingsband serieus wordt genomen. Voor mensen vormt de biologische afstammingsband, simpelweg het antwoord op de vraag: door wie ben ik verwekt, essentieel onderdeel van de identiteit. De genetische invloed van vader en moeder is gelijk. Het erfelijkheidsonderzoek laat steeds indringender zien hoezeer onze genen basiskenmerken van onze persoonlijkheid bepalen.

Deze afstammingsband verdonkeremanen, zoals bij de praktijk van donorinseminatie gebeurt, is niet in het belang van het kind. Ook het negeren ervan door een vaderfiguur (ongehuwde moeders) of een moederfiguur (homoseksuele mannen die een draagvrouw inschakelen) bewust uit te sluiten is niet in het belang van het kind. Via het gezond verstand, veel wetenschappelijk onderzoek en de klinische praktijk is het bekend dat mensen willen weten van wie ze afstammen.

Schmitz noemt het belang van het kind, maar behandelt alleen juridisch het effectief familie- en gezinsleven. Zij negeert de biologische afstammingsband geheel. De mening van het kind, zoals die later door puber of volwassene wordt geuit: het in principe bij de eigen vader en moeder willen opgroeien en die tenmisnste kennen, wordt genegeerd.

Echter als het om adoptiekinderen gaat, zouden we kunnen denken dat onder zekere voorwaarden plaatsing bij elke volwassene mogelijk moet zijn. De biologische afstammingsband is immers al doorbroken! Gelukkig aarzelt de staatssecretaris dan enigszins. Waar zij pleit voor de juridische een-ouder adoptie, zegt ze eveneens dat “aan een dergelijke verruiming niet de betekenis moet worden toegekend de adoptie als zodanig te willen stimuleren” (p. 13). Door mij wat duidelijker geformuleerd: waar voldoende geschikte echtparen zijn, ligt plaatsing bij één persoon of homopaar niet voor de hand. Want waarom zou je een adoptiekind, dat al moeite heeft met zijn adoptiestatus in het reine te komen, de mogelijkheid onthouden een relatie op te bouwen met een vader en een moeder? Alleen wanneer het voor het (dan oudere) kind psychologisch geïndiceerd is om bij één persoon verder op te groeien, is één-ouder-plaatsing tegenover een adoptiekind te verantwoorden.

Het is vreemd dat Schmitz wel spreekt over de relatie naamgeving en identiteit, maar niet over de relatie biologische afstamming en identiteit. In dit verband gaat ze heel ver. Ze stelt bijvoorbeel vast dat een kind altijd een moeder heeft en een vader kan hebben. Ze spreekt over het doen ontstaan van de afstammingsband tussen het kind en twee personen van dezelfde kunne (p. 9). En even later (p. 15) concludeert ze dat de donor niet de verwekker is.

Voor een kind is het nog altijd zo dat het door een vader en een moeder wordt verwekt. Boeiend en terzake in dit verband is de reactie - 13 december jl. in 'Vinger aan de pols' - van het echtpaar dat via IVF twee kinderen heeft gekregen waarvan de een (Koen) raciaal geheel verschillend en dus niet van de man is. Zij vinden dat vanwege het respect voor zijn identiteit Koen zijn biologische vader moet leren kennen.

Horen we nu veel verwijten van mensen die bewust bij één persoon opgroeien of bij een homopaar? Is er ook wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat een dergelijke opvoedingssituatie minder gewenst is voor het kind? Wat deze twee vragen betreft moet ik wijzen op het fenomeen van de kinderlijke loyaliteit jegens de ouder(s). “Een kind heeft al snel het idee dat het zijn ouders verraadt. Het is zijn ouders door dik en dun trouw”, concludeert o.a. kinderartse De Koningh in een uitgave van de Raad voor de kinderbescherming Breda (1991).

Aan jonge kinderen vragen hoe ze het vinden alleen bij een moeder op te groeien, geeft weinig betrouwbare informatie. Moeder zal niet worden afgevallen. Het is net als bij de vraag of een geadopteerde geïnteresseerd is in zijn biologische afstamming. Pas als de geadopteerde volwassen is en zelfstandig functioneert, kan dat worden beoordeeld en aan deze redelijk betrouwbaar worden gevraagd.

Zo is dat m.i. ook bij al die niet-geadopteerde kinderen die niet bij hun eigen vader en/of moeder opgroeien. Mijn hulpverleningspraktijk maakt mij bitter weinig enthousiast om ook maar op de een of andere wijze te bevorderen dat de gewone gezinssituatie op de tweede plaats komt. Het belang van het kind is daar niet mee gediend.

Naamgeving

Schmitz stelt tevens voor om de ouders bij het eerste kind de mogelijkheid te geven of voor de naam van de man of voor die van de vrouw te kiezen. Past dit voorstel bij het streven om mannen veel sterker bij gezinstaken te betrekken? Als bij donorinseminatie de naam van de vrouw wordt gekozen, zou dit dan bevordelijk werken op de sociale relatie vader-kind? Moeders hebben toch vanuit het lichamelijke aspect betrokkenheid genoeg bij hun kind? Laat de man dan maar automatisch de naam. Het zal in ieder geval zijn betrokkenheid bij het kind formaliseren, waarvoor sommige mannen toch echt gevoelig zijn.

De notitie overziende bekruipt mij het gevoel dat we min of meer analoog aan de Latijnse betekenisachtergrond van 'emancipatie', toe zijn aan de invoering van het begrip 'emancimatrio' (ex manus mater). Naast de vrijlating van het kind uit de vaderlijke macht lijkt nu ook die uit de moederlijke macht onze aandacht te verdienen.

Laat een staatssecretaris van justitie zich niet weerhouden, persoonlijke betrokkenheid en eventuele lobbygroepen ten spijt, toch nee te durven zeggen tegen bepaalde behoeften en voorstellen. Voorstellen die met het belang van het kind weinig van doen hebben.

In een volgende notitie over het familierecht zouden eventuele wijzigingen principieel vanuit het belang van het kind uitgewerkt dienen te worden.

mailIcon print |