*

 
dossier

Archief

Indian Summer

PETER TEN HOOPEN − 21/10/96, 00:00

“Indian Summer” is in New England zo prachtig dat fotografen uit de hele wereld hier kalenderfoto's komen maken. De fraaist kleurende bomen zijn de maples, een Amerikaans soort esdoorns. Bij onze inrit staat een leuke kleine, rood als een jonge Bourgogne. Een lust voor het oog...

Vanmorgen zat ik net in de Indiaanse Zomerzon van dat boompje te genieten toen er opeens een vrachtwagen de oprit op kwam. De telefoonmaatschappij. Ik had mijn rekening toch wel betaald? Ze kwamen toch niet afsluiten?

Een man in werkkleding die behangen was met genoeg ijzerwaren om een kleine oorlog mee te beslechten zei dat hij de bomen kwam snoeien. (Alle bedrading hier is bovengronds, opgehangen aan palen; periodiek zagen ze geboomte weg dat de kabels kan bedreigen). Mijn mening daarover was belangrijk, dus wilde hij dat graag doen in goed overleg. Helaas bleek dat juist mijn mooie esdoorntje een bedreiging vormde voor de elektriciteitsvoorziening. Althans: de maatschappij heeft recht van overpad (en snoei) tien voet aan beide zijden van de kabel; volgens hem stond het boompje net in die gevarenzone, volgens mij net erbuiten. Er broeide een conflict dat qua intensiteit de kleur van het boompje snel evenaarde.

Na enig geschipper bepaalden we een plek die exact onder de bedrading lag, legden daar een steen neer en rolden 's mans meetlint uit. En kijk: het reikte nét niet tot mijn esdoorntje. Had hij een handbreed naar voren gestaan dan was hij ter dood veroordeeld, nu was hij veilig. “Mooi” zei ik opgelucht, “ik ben blij dat hij kan blijven staan.”

“Nou, dat denk ik dus niet”, sprak de boomvernieler. “Nu staat hij net voorbij de lijn, maar in een storm zwiept hij er zeker overheen. Dat kunnen we niet hebben.”

“Ja hé, in een storm! Kom op zeg!” Ik voelde een enorme golf adrenaline m'n bloed instromen, lichaam en geest voorbereidend op moord en doodslag. De man bleef rustig: “Kijk, een storm, daar gaat het juist om. Bij normaal weer zult u nooit hebben dat de stroom uitvalt...”

Ik wilde hem tegenspreken, maar iets in zijn zelfverzekerde uitstraling vertelde me dat hij voor klaagliederen niet gevoelig zou zijn. “Storm of geen storm”, sprak ik gebelgd, “ik vind dat ik in mijn recht sta als ik me aan die tien voet houd. Die esdoorn blijft staan.”

“Het kan me niet schelen wat u ervan vindt”, zei de man nu, in schrille tegenspraak tot zijn eerdere opstelling, “die esdoorn gaat om.”

Het werd duidelijk tijd om De Moeielijke Man weer eens ten tonele te voeren, een rol die slecht bij mijn nobele, meegaande aard past, maar die ik indien nodig met verve kan spelen. “Als u dat boompje omzaagt, bel ik m'n advocaat!” riep ik, want dat heb ik hier wel geleerd - advocaten zijn ze als de dood voor.

De man tuurde naar me door de spleetjes van zijn ogen. Misschien was hij bijziende. Ik klemde mijn kaken op elkaar en keek hem staalhard aan. Het zou me een vermogen kunnen kosten, maar wie het woord 'advocaat' heeft uitgesproken kan niet meer terug, althans niet zonder ernstig gezichtsverlies. En wat is erger: verloren geld of verloren eer?

De man scheen dezelfde afweging te maken. Hij schoof zijn rolmaat in en zei: “Okee, ik laat hem staan. Maar dan niet bij storm klagen dat de stroom uitvalt.” “Als de stroom uitvalt bel ik meteen op, want het is jullie plicht om te zorgen dat ik de stroom krijg waar ik voor betaal.” “Natuuuuurlijk”, zei de man, op een toon die ik meteen al niet vertrouwde. Hij keek nog eens vernietigend naar mijn boompje en reed grommend weg in zijn vrachtauto vol moordwerktuigen.

Ik zat net in de late middagzon te genieten van mijn gloeiende esdoorntje, toen mijn vrouw naar buiten kwam stormen, een telefoon in de hand: de stroom is uitgevallen.

“Ja, dat klopt”, zei de juffrouw van de maatschappij, “we krijgen net bericht van onze onderhoudsploeg dat er een tak op de kabel is gevallen.”

“Maar mijn buren hebben wel stroom! Ik kan het licht hier vandaan zien!” “Dat kan gebeuren meneer, u zit in een wijk met oude bekabeling, veel huizen zijn geheel los van elkaar geschakeld.”

“O”, sprak ik, om niet in vloeken te vervallen. “Hebt u enig idee hoelang het gaat duren?”

“Dat kan ik niet zeggen, meneer. De onderhoudsploeg is heel druk, want ze zijn aan het snoeien in uw buurt en dan gaat er weleens wat mis, begrijpt u?”

Ik legde de telefoon neer en keek naar buiten. Het boompje gloeide dankbaar in de laatste zonnestralen. Vooralsnog het enige licht in mijn leven.

mailIcon print |