*

 
dossier

Archief

Grootste herleving van boeddhisme in China sinds 1949

ANNELIE ROZEBOOM − 02/01/96, 00:00

PEKING - “Niet dringen, rustig aan”, zegt een oude vrouw geïrriteerd als ze op een koude vrijdagmorgen de deuren opent van de enige boeddhistische tempel van Peking. Er heeft zich een groepje bereidwillige gelovigen verzameld en die willen allemaal tegelijk naar binnen. Het gedrang is kenmerkend voor de groeiende belangstelling voor het boeddhisme onder de Chinese bevolking.

Oude mannen en vrouwen dragen schalen vol koekjes aan die zij aan de enorme boeddhabeelden binnen willen offeren. Jonge mensen hebben modernere offers: een vrouw van rond de dertig tuft op een brommer door de hoofdpoort van de tempel om twee sloffen sigaretten te brengen. Volgens de Chinese maankalender is deze vrijdag de eerste dag van de maand en dat is extra belangrijk.

Als de gelovigen binnen voor de beelden hebben gebogen en wierook hebben opgestoken, worden de banken bezet door in bruine gewaden geklede monniken. De bezoekers rollen buiten voor de deuren lange rode matten uit en volgen de ceremonie in de kou. Dat hebben zij ervoor over, want de bijeenkomsten in de Guangji-tempel in het hart van Peking zijn uniek. Het zijn de enige boeddhistische ceremonieën die in de stad mogen plaatsvinden.

De Guangji tempel is simpel en - in tegenstelling tot andere tempels in China - duidelijk niet ingesteld op toeristen. In het donkere winkeltje opzij van de ingang worden geen ansichtkaarten verkocht, alleen posters van boeddha. En er wordt geen entree gevraagd.

De gebouwen zien er somber uit. Er zijn twee vrij kleine hallen met boeddhabeelden, die gesloten zijn op middagen dat er geen ceremonie is. Voor gelovigen die dan willen bidden zijn er buiten voor de rode deuren enkele kussens neergelegd. In het complex wonen enkele monniken. Rondom het eeuwenoude binnenplaatsje zijn piepkleine kantoren gevestigd waarin de Boeddhistische vereniging van Peking haar zetel heeft.

Niet bekend

De meeste bekeerlingen waren tussen de twintig en veertig jaar, hadden een baan en waren nog niet geheel gewend aan het idee dat Chinezen tegenwoordig openlijk hun religie kunnen beoefenen. “Ik moet het geheim houden, want ik ben ook lid van de communistische partij”, zo zei een van hen tegen de aanwezige buitenlandse journalisten.

Aziatisch bewustzijn

Een woordvoerder van de Boeddhistische Vereniging stelde vast dat het boeddhisme onder jongeren steeds populairder wordt. Zij zijn op zoek naar bronnen van spiritualiteit, hoewel ze ook vaak partijlid zijn. Maar de belangstelling voor de oude religie in China hangt eveneens samen met een groeiend Aziatisch bewustzijn. Chinese zakenlui ontmoeten geregeld collega's uit Taiwan en Hongkong of Chinezen uit het westen. De meeste van deze succesvolle zakenlieden zijn rijk èn gelovig.

Ook komen jaarlijks duizenden Aziatische boeddhisten naar de traditionele bedevaartsoorden in China en meer en meer vindt hun geloof weerklank bij de lokale bevolking. Veel Chinezen herkennen zich immers beter in de oude Oosterse religies dan in het christendom dat de laatste jaren met name bij studenten populair is. Die willen de westerse levensstijl zo veel mogelijk kopiëren en nemen daarom ook het christendom aan.

Maar los van deze buitenlandse invloeden kan het boeddhisme ook voortbouwen op de traditie. Voor de Chinese communisten deze religie in 1949 zeer sterk aan banden legden, was zij al meer dan tweeduizend jaar met de Chinese cultuur en het traditionele Taoïsme verbonden.

Maar na jaren van onderdrukking is van dat oude religieuze besef weinig over. Veel Chinezen houden zich alleen nog met mysterieuze zaken van het boeddhisme bezig. Overal zijn nu heelmeesters en zieners te vinden, die beweren mensen op wonderbaarlijke wijze te kunnen genezen of die de toekomst zeggen te zien. Deze kwakzalvers beroepen zich allemaal op boeddhistische of taoïstische principes, die ze in hun jeugd bij beroemde monniken ver weg in de bergen zouden hebben geleerd.

Zieners

Maar de praktijken van de zieners biedt de Chinese regering een goed voorwendsel om de religie aan banden te blijven leggen. Want behalve de kwakzalvers officieel verbieden als 'oplichters' en 'beoefenaars van een feodaal bijgeloof', beperkt zij ook het aantal serieuze monniken, die slechts in een minimaal aantal tempels religieuze ceremonieën mogen houden. In Peking hebben de boeddhisten daartoe alleen de Guangji tempel gekregen.

Maar ook binnen dat tempelcomplex is de strenge hand van de overheid merkbaar. Zo weigeren de monniken met buitenlandse journalisten te praten. Zelfs op een simpele vraag als 'ter gelegenheid waarvan vindt de ceremonie van vandaag plaats' verklaren ze nog dat ze te druk zijn om deze week antwoord te geven. Elk gesprek moet bij het staatsbureau voor religieuze zaken in Peking worden aangevraagd. “Zij kijken wel wanneer wij tijd hebben”, zeggen de monniken.

De geestelijken willen hun unieke positie duidelijk niet in gevaar brengen. Want in plaats van bewaarders van levenloze tempels, die alleen voor de toeristen bestaan, zijn zij in de Guangji tempel nog steeds echte religieuze leiders.

Voor de ceremonie komen dan ook verscheidene gelovigen even advies vragen. Een oude man heeft een amulet met daarop een blinkende boeddha gekocht en wil weten of die hem echt kan beschermen. “Nergens voor nodig”, zo krijgt hij te horen. “Je kunt beter hier de riten volgen.”

Op echte steun van de Chinese overheid kunnen alleen die tempels rekenen die interessant zijn voor toeristen. Zo kregen de monniken van Pekings grootste Tibetaanse tempel, Yonghegong, overheidsgeld voor hun nieuwe woonkwartieren.

De religieuze leiders zijn niet altijd even gelukkig met het feit dat ze vooral als toeristische attractie dienen. Zo schreef een krant uit Hongkong hoe een 110-jarige non van een taoïstische kloosterorde een oud-religieus paleis op de Wudangberg in het binnenland had gekraakt. Ze brengt er haar laatste jaren door met mediteren.

Mao

De berg was vroeger een beroemde bedevaartplaats en stond begin deze eeuw vol met kloosters en tempels, waarin zo'n 30 000 taoïstische priesters woonden. Maar partijleider Mao Zedong liet een enorme dam bouwen in het berggebied waardoor negen kloosters en paleizen onder water liepen. Rode gardisten sloegen in de Culturele Revolutie ook nog het nodige kapot. Het paleis van de non overleefde alle communistische campagnes omdat een klim van vier uur nodig is om het te bereiken.

Maar ook deze plaats zal niet lang meer geïsoleerd zijn. De laatste jaren is de lokale overheid gaan beseffen dat de berg een goede toeristische attractie is. Dat had als voordeel dat er ineens 160 miljoen yuan werd gestoken in de opbouw en inrichting van de ruïnes tot museum, en in de aanleg van wegen. Ook mochten er weer 100 monniken op de berg wonen.

Maar daar staat wel tegenover dat de rust in het gebied voorgoed verstoord is. Binnen enkele jaren zal er op de berg een kabelbaan worden aangelegd, zodat toeristen ook het paleis van de oude non kunnen bezichtigen. Verder zoekt de overheid naar buitenlandse investeerders die een hotel en een waterpretpark kunnen financieren. Tot grote ergernis van de oude non. “Ik ben tegen de bouw van een kabelbaan. Dit is een plaats om de natuur te respecteren, niet om haar te vernietigen”, klaagt ze.

Ook de tempels van Peking worden in de Engelstalige pers voor buitenlanders alleen beschreven als oude gebouwen die de moeite waard zijn voor toeristen. Zo af en toe worden enthousiast plaatsen vermeld waar oude tradities bewaard zijn gebleven.

Zo meldde de Beijing Weekend afgelopen zomer dat in een tempel in Peking zes jongeren een concert zouden geven van traditionele boeddhistische Zhihuajingmuziek. De jongens kwamen van het platteland en waren speciaal naar de stad gehaald om drie jaar lang deze oude muziekkunst te leren.

Zhihuajingmuziek

De zes jongens worden aldus de 27ste generatie beoefenaars van Zhihuajing, dat daarmee op het nippertje niet verloren gaat. Met dat verschil dat zij alleen werden opgeleid als muziekbeoefenaars en niet - zoals al hun voorgangers - ook echte 'levende boeddha's' worden. Na hun opleiding hoeven zij hun leven dan ook niet verder in een klooster door te brengen.

“Misschien zoek ik ooit nog wel eens een andere baan”, zo verklaarde een van hen. En hij hield blijkbaar woord. Want, ondanks alle nieuwe interesse van de Chinese bevolking voor de Boeddhistische tradities, waren de musicerende jongeren deze maand niet in de tempel te vinden. Maar het is dan ook geen toeristenseizoen.

mailIcon print |