Van een onzer verslaggeefsters LEIDEN - 'Binnenkomende' arrestanten moeten voordat zij worden opgesloten, nageplozen worden op drugs, alcohol- en medicijngebruik en op eventuele zelfmoordgedachten. Bij meer dan de helft van de mensen die in de jaren 1983 tot 1993 in politiecellen stierven, hadden agenten van tevoren herkend dat het om bijzondere arrestanten ging.
Dit concludeert de socioloog R. Blauw die gisteren aan de Rijksuniversiteit Leiden op een onderzoek naar politiecellen promoveerde. Blauw, die al meermalen over de omstandigheden op politiebureaus publiceerde, vindt vooral zijn onderzoek naar de sterfgevallen van belang. Bij twintig van de 59 gevallen die hij achteraf onderzocht, bleek zelfmoord de oorzaak. Acht arrestanten stierven een natuurlijke dood, 19 door vergiftiging en 12 door een andere of onbekende oorzaak. Zowel deze sterfte-, zelfmoord- als vergiftingscijfers zijn hoger dan die in de cellen van gevangenissen of huizen van bewaring, concludeert Blauw. “Van die 59 sterfgevallen hadden de agenten in negentien keer al speciale aandacht aan de arrestant besteed. Dit betekent dat het helemaal niet zo moeilijk is om deze mensen te herkennen en indien nodig speciale zorg of behandeling te geven. Overbrenging naar een hulpverleningsinstantie is soms de aangewezen weg.”
Agenten moeten nog veel beter in de omgang met de arrestant worden geschoold. Want ga er maar aan staan, zegt Blauw, veel 'ingeslotenen' barsten van de problemen. “Twee keer kwam ik tegen dat mensen die na hun opsluiting zelfmoord hadden gepleegd, in de cel zaten omdat ze suïcidaal waren. In zulke gevallen moet een arts komen; opname in een psychiatrisch ziekenhuis kan dan noodzakelijk zijn, keten ze daar desnoods maar vast.”
De samenwerking tussen politie en hulpverlening moet en kan volgens Blauw beter. Hij geeft het voorbeeld van de twee agenten in Gouda die juist gisteren voor de Haagse rechtbank moesten voorkomen. De agenten worden ervan beschuldigd een drugs- en drankverslaafde op straat te hebben gezet, nadat ze eerst in een busje met hem rondgereden hadden. “In mijn ogen brachten ze hem terecht niet naar het bureau, maar de moeilijkheid is 'wat dan?'. Familie hebben deze mensen vaak niet en de hulpverlenings-instanties zeggen 'dronkaards horen hier niet thuis'. Ik vind het begrijpelijk dat ze toen maar met hem zijn gaan rijden.”
Blauw pleit voor gespecialiseerde arrestantenverzorgers. Ook moeten deze verzorgers op duidelijke richtlijnen kunnen terugvallen, daar zij anders in een rolconflict terechtkomen. “Vaak wordt nog gedacht dat de arrestant eerder bekent als hij streng wordt behandeld, bijvoorbeeld door hem expres niet te luchten en lekker in zijn cel te laten zweten. Voor de verzorger betekent dit dat hij niet zou mogen verzorgen, terwijl dat nou juist zijn taak is.” De gedachte dat de harde hand bekentenissen eerder ontlokt, is overigens achterhaald, stelt Blauw. “Eerder het tegendeel is waar: een goede behandeling, maakt de arrestant gewilliger.”
De promovendus vond ook dat de zorg, bejegening, en kwaliteit van de cellen nog te veel verschilt tussen de korpsen. Grotere korpsen scoren beter op de omstandigheden binnen de cellen en de zorg voor speciale groepen (zoals drugsverslaafden en vreemdelingen), maar de verzorging zelf is er niet noodzakelijk beter.
“Absoluut noodzakelijk” noemt Blauw meer onderzoek naar de emotionele problemen van de ingeslotenen. De 309 onderzochte arrestanten maakten opvallend vaak melding van psychopathologische problemen, ernstige lichamelijke klachten, depressies en stress.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.