NIJMEGEN - Leek het CDA in de succesvolle jaren onder Lubbers nog een kordate, doelbewuste partij die ook ideologisch een voorsprong had genomen op haar tegenstanders, thans ogen de christen-democraten als een verdeeld huis. De krachteloosheid in de oppositie tegen de paarse coalitie kan behalve met onwennigheid en persoonlijke onhandigheid van fractievoorzitter Heerma, ook te maken hebben met onenigheid over de koers.
Deze koersstrijd zal de christen-democraten des te meer hoofdbrekens bezorgen, daar hij zich afspeelt rond de politieke kernvraag van dit moment: welke rol heeft de overheid nog in de waarborging van de materiële zekerheid van de burgers?
De Nijmeegse geschiedschrijver Rutger Zwart, van wie deze waarnemingen afkomstig zijn, zegt: “De ideologie die het CDA in de jaren tachtig probeerde te ontwikkelen, over de verantwoordelijke samenleving, is nog onvoldoende uitgewerkt, vooral op het punt van de taakverdeling tussen overheid en markt. Waar staat het CDA? De PvdA en de VVD zijn in dat opzicht veel duidelijker.”
Zwart wijst op de Den Uyl-lezing van Wim Kok. De PvdA-leider voorspelt in die rede voor het komende decennium een tweestrijd tussen sociaal-democraten en liberalen, met de omvang en de bevoegdheden van de publieke sector als inzet. Ook als Koks motief louter van tactische aard was - electoraal is een verkiezingsstrijd tussen Kok en Bolkestein een aantrekkelijk perspectief voor de PvdA - dan nog geldt dat de christen-democraten Kok de gelegenheid boden hen te negeren. Zwart: “Door zo onduidelijk te zijn over de rol van de overheid roept het CDA zelf de twijfels over zijn bestaansrecht over zich af.”
Zwart meent dat de koersstrijd in het CDA zelfs wordt gepersonifieerd in de leiding van de fractie. De voorzitter, Heerma, van wie het geen geheim is dat hij de VVD als de grootste vijand beschouwt, heeft een vice-voorzitter naast zich, De Hoop Scheffer, die met zijn standpunten over asielzoekers en buitenlands beleid, met de VVD op één lijn zit.
Met de richtingenstrijd voegt het CDA zich naar zijn eigen geschiedenis en die van zijn voorgangers KVP, CHU en ARP, een historie die wordt getekend door ideologische tegenstellingen. Zwart (31) promoveert morgen aan de Universiteit van Nijmegen op een proefschrift over de invloed van de christelijke ideologieën op het fusieproces van het CDA. Zijn dissertatie werpt niet alleen een nieuw licht op de partijgeschiedenis, maar verschaft ook meer inzicht in de huidige richtingenstrijd.
De promovendus neemt met zijn stelling dat de ontstaansgeschiedenis van het CDA niet los kan worden gezien van de ideologische factor, afstand van de theorie die de totstandkoming van het CDA louter verklaart uit de wens de macht te behouden. Hij laat zien dat vooral de KVP, maar ook ARP en CHU al vóór hun electorale neergang begon, hun eigen bestaan ter discussie stelden en nadachten over de mogelijkheid van één christen-democratische partij. De betekenis van de grote verkiezingsnederlagen in de jaren zestig is dat zij een reeds bestaande wenselijkheid nu ook noodzakelijk maakten.
De kern van Zwarts betoog is dat niet zozeer het verlies van zetels in de jaren zestig de stoot gaf tot de vorming van het CDA, als wel het verlies van de oude ideologieën van KVP en ARP in de tweede helft van de jaren vijftig. Deze ideologieën, ontstaan in de negentiende eeuw, vormden tot dan toe een barrière voor samenwerking. Kenmerkend voor zowel het katholieke als het anti-revolutionaire denkstelsel was dat beide pretendeerden de wil van God te kennen, elk op zijn eigen manier.
De katholieken grepen voor de wetenschappelijke onderbouwing van hun ideologie terug op de leer van de middeleeuwse filosoof Thomas van Aquino, volgens wie de leer van God volmaakt, oneindig en onveranderlijk is. Ook in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog hield de KVP nog vast aan deze neothomistische ideologie, volgens welke de katholieke politici zich baseren op zedelijke normen die 'de uitdrukking van Gods wil' zijn en bovendien van een 'absolute waarde' en een 'volstrekte geldigheid'. In de katholieke hiërarchie gold de kerk als de onfeilbare schatbewaarder van deze normen. Voor een katholiek was het dan ook niet minder dan een gewetensplicht op de KVP of haar voorganger RKSP te stemmen.
De protestanten in de ARP legden eveneens een rechtstreeks verband tussen hun geloof en hun politiek. Onder invloed van de grondlegger van hun partij, Abraham Kuyper, braken zij met de traditionele calvinistische overtuiging dat het de mensen vanwege de erfzonde niet is gegeven de wil van God te kennen. Kuyper ontwikkelde een denkpatroon waarmee hij pretendeerde Gods wil op objectieve wijze te kunnen doorgronden, aan de hand van gereformeerde beginselen. Kuyper zag zichzelf als de interpretator van deze beginselen. Zwart: “Zijn woord was wet en de ARP Gods eigen creatie. Kuyper hield zijn politieke tegenstanders in eigen kring voor dat wie zich tegen hem keerde, zich tegen God keerde.”
Historisch interessant is dat Zwart in het licht van deze waarnemingen de oprichting van de CHU in 1908 in een heel ander perspectief plaatst. De breuk tussen Kuyper en de latere CHU-leider De Savornin Lohman is niet zozeer toe te schrijven aan de strijd tussen de 'aristocratische' vleugel en de 'kleine luyden', als wel aan Lohmans ergernis aan Kuypers alleenrecht op de juiste uitleg van Gods wil. Zwart: “Lohman wilde zich simpelweg niet binden aan één uitleg van Gods geboden. Hij wilde gewoon met Kuyper van mening kunnen verschillen.”
Die weerzin van de Kuyper-doctrine heeft zich gedurende de gehele geschiedenis van de CHU vertaald in een grote ruimte voor afwijkende meningen. Een wezenskenmerk van de CHU was dat haar vertegenwoordigers ieder op hun eigen wijze gestalte konden geven aan hun gehoorzaamheid aan God. Het ontbreken van de noodzaak van één standpunt stelde de toenmalige CHU-leider Beernink in staat tijdens een cruciale fase van de kabinetsformatie van 1965 thuis naar het voetbal op tv te kijken, in plaats van met zijn fractie te overleggen.
Hoe dan ook, met hun pretentie de maatschappij in te kunnen richten naar Gods richtlijnen gaven KVP en ARP een bijzondere status aan hun ideologieën. Deze konden als het ware worden vereenzelvigd met de wil van God. Juist vanwege dat dogmatische karakter van deze denkstelsels ging hun afbraak razendsnel en radicaal. Zwart laat zien dat op het moment, eind jaren vijftig, dat zowel katholieken als protestanten aan de houdbaarheid van hun pretentie gingen twijfelen, het fundament onder hun hele ideologie wegviel: “Dat is het kenmerk van dogmatische theorieën. De hele boel stort in als daar het wezenskenmerk uit wegvalt.”
De toenmalige hoogleraar staatsrecht A. M. Donner komt de eer toe in één enkele zin de dramatiek van de opkomende twijfel in ARP-kring te hebben verwoord: “Het gevaar bestaat dat wij (-) de zaken scherp stellen, ook daar waar God Zelf ze niet scherp heeft gesteld.”
In een tijdsbestek van een luttel aantal jaren braken de katholieken en de anti-revolutionairen met hun traditionele ideologieën, een ontwikkeling die samenging met de opkomende roep om de vorming van één christen-democratische partij. Niettemin zou het nog tot 1976 duren voordat het daadwerkelijke fusiebesluit viel. Zwart schrijft het trage verloop van het proces vooral toe aan de verdeeldheid binnen de ARP. Door het onvermogen van de partijleiding een alternatief voor de Kuyper-doctrine te ontwerpen, ontstond in de anti-revolutionaire gelederen een controverse tussen een radicaal-evangelische, een gematigde en een behoudende vleugel.
Vooral de radicaal-evangelische vleugel heeft van zich doen spreken. Mede dankzij de steun die de progressieve antirevolutionairen hadden in de partijtop, in de persoon van voorzitter Berghuis, zijn zij erin geslaagd de van oudsher oerconservatieve ARP in de jaren zestig een progressief imago te bezorgen, ondanks het tegenspel van de behoudende stroming. Zwart legt een opvallend verband tussen het succes van de evangelisch-radicalen en heimwee naar de zekerheid die de oude ideologie bood. Zij appelleerden aan de behoefte aan een of andere vorm van beginselpolitiek, door het tot een christenplicht te verklaren de wereld te vormen naar de christelijke beginselen van naastenliefde en sociale rechtvaardigheid. Een christen die ernst maakte met zijn geloof kon niet anders dan progressief zijn en naar een sociaal-radicale politiek streven, in de vorm van bijvoorbeeld meer ontwikkelingshulp en inkomensnivellering.
De interne verdeeldheid in de ARP heeft het fusieproces van de drie christelijke partijen ernstig gecompliceerd. Een opvallend moment in het offensief tegen de vorming van het CDA is de 'Bergrede' (1975) van Aantjes. De toenmalige ARP-leider rakelde daarin de oude grondslag-discussie op met de eis dat elke CDA'er het evangelie als grondslag van zijn eigen politieke handelen diende te onderschrijven, een verlangen dat het streven naar volkspartij die openstaat voor iedereen, volledig doorkruiste.
Volgens Zwart maakte Aantjes zich in werkelijkheid niet zozeer zorgen over de grondslag, als wel over de richting van de nieuwe partij. Vooral na de val van de vooruitstrevende KVP-voorzitter De Zeeuw had Aantjes ernstige twijfel opgevat over de mogelijkheid met het CDA een progressieve koers te varen.
Zwart: “Maar hij wist dat de behoudende vleugel in zijn partij geen boodschap had aan deze twijfel. Daarom zocht hij een thema dat zowel bij de conservatieven als bij de evangelisch-radicalen in zijn partij zou aanslaan. Hij vond dat in de kwestie van de grondslag, het streven dus om CDA-politici rechtstreeks op hun geloof te kunnen aanspreken.” Kortom, Aantjes smeedde op basis van hun hang naar christelijke beginselpolitiek een coalitie in zijn partij tussen de twee uitersten, traditionelen en evangelisch-radicalen, met het doel de totstandkoming van het CDA te vertragen. Zwart: “Hij maskeerde zo de werkelijke reden voor zijn verzet, de koers van de partij. Wordt het CDA een middenpartij of krijgt het een progressief karakter? Dát was de centrale vraag.”
Zwart constateert dat deze richtingenstrijd het CDA tot op de dag van vandaag in zijn functioneren belemmert. Zwart: “Op theoretisch niveau heeft het CDA in de jaren tachtig een paar mooie rapporten gemaakt om zich van een dragende ideologie te voorzien. Helaas functioneert die ideologie niet zoals zij zou moeten, als samenbindend element. De centrale vraag is nog steeds wie in het CDA wint, de stroming die een sociale middenpartij nastreeft, zeg maar de vleugel-Heerma, of de stroming die een rechts CDA wil, zeg maar de vleugel-De Hoop Scheffer.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.