*

 
dossier

Archief

Wie zijn de brandstichters: zij of wij?

CO WELGRAVEN − 25/01/97, 00:00

Bij een brand in een asielzoekerscentrum in de Noord-Duitse stad Lübeck kwamen een jaar geleden, in de nacht van 17 op 18 januari, tien mensen om het leven, 38 buitenlanders raakten gewond, van wie velen zeer ernstig. Enkele bewoners stierven in hun woning, anderen kwamen om bij een sprong uit het raam of van het dak van het drie verdiepingen hoge gebouw. Het was een aanslag, dat staat inmiddels onomstotelijk vast. Maar door wie gepleegd? Het openbaar ministerie beschuldigt de Libanees Safwan Eid, bewoner van het huis, ervan de brand gesticht te hebben. Zijn advocaten, een steuncomité en een deel van de Duitse pers noemen de aanklacht absurd. Want waar is het motief? Moet er, om de publieke opinie te sussen, hoe dan ook een buitenlander hangen? Waarom zijn die vier neonazi's, die bij het huis zijn gesignaleerd en die verse brandplekken in hun gezicht hadden, nog steeds op vrije voeten? Een verslag van een rechtszaak die, ongeacht de uitspraak, altijd omstreden zal blijven.

Tegen half tien komen de rechters zaal 163 van het Landgericht in Lübeck binnen. Voorzitter Rolf Wilcken van de rechtbank gebaart iedereen te gaan zitten. Safwan Eid neemt plaats tussen z'n tolk en één van z'n advocaten. De tolk heeft weinig te doen: Safwan verstaat goed Duits. Af en toe maakt hij aantekeningen, of voegt z'n verdedigster wat toe.

Over het getuigenis deze ochtend van een vrouw, vorig jaar medebewoonster in het asielzoekerscentrum aan de Hafenstrasse in Lübeck, hoeft Safwan zich geen zorgen te maken. Ze neemt het voor de Libanees op, net als het gros van de tientallen getuigen die de afgelopen maanden voor de rechtbank verschenen zijn. Safwan is een aardige jongen, doet geen vlieg kwaad, altijd bereid een klus op te knappen. Nee, hij had met niemand ruzie; er was de dag voordat die vreselijke brand uitbrak ook helemaal geen ruzie in het huis.

Wat zouden de beweegredenen van Safwan geweest zijn? Een vrouw uit Zaïre, een andere bewoonster uit het asielzoekerscentrum: “Waarom zou hij brand gesticht hebben in het huis waar zijn ouders en zuster lagen te slapen?” En als hij het gedaan heeft, waarom is hij dan binnen gebleven en niet onmiddellijk gevlucht?

Tot juli vorig jaar heeft Eid in voorarrest gezeten. Toen werd hij vrijgelaten, omdat er volgens het openbaar ministerie geen risico meer bestond dat hij de benen zou nemen. Maar justitie stelt hem, als enige, verantwoordelijk voor de brand en de dood van tien asielzoekers. Sinds half september staat hij terecht voor het Landgericht van Lübeck. Wordt hij schuldig bevonden, kan hij tot levenslang veroordeeld worden. Als vast komt te staan dat hij ten tijde van de brand nog geen 21 was, is de maximumstraf tien jaar. Over z'n leeftijd bestaat veel verwarring. Safwan, verwoed voetballer, ziet er trouwens uit als een man van rond de dertig. Hij verblijft al ruim zes jaar in Duitsland. Met zijn ouders en zuster sloeg hij in 1990 op de vlucht voor de burgeroorlog in Libanon. Bij het begin van het proces zei hij 'absoluut niet bang' te zijn voor de afloop. “Ik weet dat ik onschuldig ben.”

DE ADVOCATEN

Woedend onderbreekt advocate Barbara Klawitter de lange vraag van de officier van justitie aan de getuige. Hoe durft hij bij de Zaïrese vrouw te informeren of ze veel mannenbezoek ontving? Wat heeft dat met de brand te maken? Het zoveelste bewijs dat het openbaar ministerie maar één ding voor ogen heeft: getuigen die het opnemen voor verdachte Safwan Eid, moeten in diskrediet gebracht worden.

Zeggen dat Barbara Klawitter en haar collega Gabriele Heinecke strijdbaar zijn, is een understatement. Ze zijn fel, voortdurend getergd door het optreden van het openbaar ministerie, en geven steeds blijk voor honderd procent overtuigd te zijn van de onschuld van hun cliënt. Dit is niet een gewoon strafproces, zeggen ze, maar een politiek proces. Een buitenlander moet hangen voor iets wat hij niet gedaan heeft en niet gedaan kán hebben. De Duitsers moeten weer tevreden kunnen gaan slapen: “Kijk eens, die buitenlanders roken mekaar de tent uit”.

Ze reizen stad en land af en geven op solidariteitsbijeenkomsten voor de verdachte Safwan Eid hun visie op de rechtszaak. In hun ondervraging zijn ze uiterst scherp, op het agressieve af. De getuigen weten soms niet hoe ze het hebben. De brandweerman die in die beruchte nacht als eerste het brandende huis binnenging, is weken na zijn verhoor door het tweetal nog verbouwereerd: “Na een uur ben ik opgestaan. Meneer de rechter, zei ik, het spijt me zeer, maar zo langzamerhand krijg ik de indruk dat ík dat ding in de fik gestoken heb.” De man had een lezing over de oorzaak van de brand gegeven die niet paste in het straatje van de verdediging.

Het optreden van de advocaten is op z'n zachtst gezegd niet onomstreden. De pers overlaadt het duo met zware kritiek, ook kranten van progressieve snit. In hun poging er een politiek proces van te maken, schaden Klawitter en Heinecke de belangen van hun cliënt, is het verwijt. Ze strijken het openbaar ministerie en de rechtbank tegen de haren in, en weten zich bij het publiek mateloos impopulair te maken.

Bewoners van het huis die het in hun getuigenis niet voor de volle honderd procent voor Safwan Eid opnemen, krijgen de wind van voren. De manier waarop de twee advocaten leden van het Libanese gezin El-Omari aanpakten, was schaamteloos, aldus de Duitse kranten. Eén lange rij van insinuerende vragen. Pa en ma El-Omari hadden het aangedurfd in het openbaar te twijfelen aan de onschuld van Safwan.

Toch hebben de raadsvrouwen al een paar succesjes geboekt. Toen het proces begon, stond voor vrijwel iedereen vast dat de brand op de eerste verdieping begonnen was. Een bewoner moet de brandstichter geweest zijn, was de conclusie. Klawitter en Heinecke hebben een paar experts opgetrommeld voor wie het 'waarschijnlijker' is dat de brand op de begane grond ontstond en dus van buitenaf aangestoken is.

Belangrijkste troef van de verdediging: wat is het motief van onze cliënt Safwan Eid geweest? Het openbaar ministerie heeft nog geen overtuigend antwoord op deze vraag kunnen geven. En waarom hebben politie en justitie het spoor naar de vier neonazi's die in die nacht op de plek des onheils zijn gesignaleerd zomaar verlaten? Ook op dit punt is het antwoord totnutoe uitgebleven.

DE OFFICIEREN VAN JUSTITIE

Jong zijn ze, de vertegenwoordigers van het openbaar ministerie. Michael Böckenhauer is veertig, collega Axel Bieler 32. Misschien wel te jong, en zeker te onervaren voor zo'n zwaarbeladen strafzaak, met zo weinig aanknopingspunten. Ze hebben veel te weinig bewijsmateriaal voor een veroordeling van Safwan Eid, zeggen rechtsgeleerden en een deel van de Duitse pers. Met open ogen lopen ze richting afgrond, ze gaan af als een gieter als de rechtbank de Libanees vrijspreekt, wat er dik inzit. Intussen is er kostbare tijd verloren gegaan, en wordt het steeds moeilijker een strafzaak te beginnen tegen de vier neonazi's, voor menigeen dé daders van de aanslag.

Sterkste troef van justitie is de verklaring van de ambulance-verpleger Jens Leonhardt, die in de nacht van de brand de gewonde Safwan Eid verzorgde. De Libanees zou op weg naar het ziekenhuis gezegd hebben: “Wir waren's” De verpleger kwam met meer belastende verklaringen. Safwan zou hem verteld hebben dat er al geruime tijd een sluimerende ruzie in het huis was over de verkoop van een auto en over vieze etensluchtjes. Wie gaat er ook in vredesnaam 's ochtends om zeven uur vis bakken in een huis waar zestig mensen wonen? De dag vòòr de brand was de ruzie geëscaleerd. Safwan zou in de bewuste nacht benzine over de trap van de eerste naar de tweede verdieping gesprenkeld hebben, en er toen een aansteker bij gehouden hebben.

De Libanees ontkent tot op de dag van vandaag met alle kracht een dergelijke bekentenis tegenover de verpleger afgelegd te hebben. Hoogstens heeft hij tegen de hulpverlener gezegd, zo legde hij de politie uit: “Sie waren's”, doelend op de vier neonazi's uit Grevesmühlen.

Het verhoor van de ziekenverpleger, eind vorig jaar, was geen onverdeeld succes voor het openbaar ministerie. De man bleef weliswaar bij de kern van zijn verklaring, maar moest op een hoop vragen het antwoord schuldig blijven. Bovendien maakte hij een paar tegenstrijdige opmerkingen, wat door de advocaten van Eid inmiddels handig uitgebuit is. De verdediging beweert verder dat de verpleger in extreemrechtse kringen verkeert. Hij zou door maten opgehitst zijn om een voor een buitenlander belastende verklaring af te leggen.

De officieren van justitie beroepen zich op de getuigenis van enkele brandexperts die zeggen dat de brand van binnenuit is aangestoken. Het motief van Safwan Eid zou zijn dat hij wraak wilde nemen op een familie in het huis met wie hij in onmin leefde. Enkele getuigen hebben inderdaad gewag gemaakt van een ruzie, de avond vòòr de brand, maar de voertaal daarbij was een Afrikaans dialect. En dat spreekt de Libanees Eid niet.

De officieren van justitie verwerpen het verwijt dat zij koste wat het kost een buitenlander willen vervolgen en dat zij alle sporen die naar Duitsers lopen bewust hebben verwaarloosd. We doen gewoon ons werk, er is nu eenmaal een zware beschuldiging ingebracht tegen een verdachte, en we zouden geen knip voor de neus waard zijn als we daarop geen actie ondernomen hadden. Voor Michael Böckenhauer is de beschuldiging extra pijnlijk. Hij brak enkele jaren geleden met de sociaal-democratische SPD uit protest tegen de steun die deze oppositiepartij gaf aan een aanscherping van het asielbeleid.

DE RECHTER

Rechter Rolf Wilcken windt zich duidelijk op over de trage gang van zaken. Het duurt 'm allemaal veel te lang, met al die vertalingen en die onbegrepen vragen. Deze ochtend valt de voorzitter van de jeugdkamer van het Landgericht van Lübeck (bijgestaan door twee beroepsrechters en twee leken) even uit z'n rol. Hij wijst een getuige terecht, een vrouw uit Zaïre, die steeds aan haar gehoorapparaat in haar linker oor zit te frunniken en die na een paar minuten in het Frans tegen de rechter zegt: “Ik kan u niet verstaan!” Waarop Wilcken, zonder de vertaling af te wachten, onmiddellijk in het Duits antwoordt: “Dat moet u mij niet verwijten, maar de tolk!” Hij schrikt van z'n uitval: “Sorry, zo hard bedoelde ik het niet”.

Even later gaat het weer fout. De rechter wil van de getuige weten of de deur van haar woning naar de gang van glas was, doorzichtig dus, of van hout of een of andere kunststof waar je niet doorheen kon kijken. De tolk begrijpt de vraag verkeerd, en vraagt de vrouw of de deur open of dicht was. “Nee, dat bedoel ik niet”, verzucht Wilcken. “Ik zal het nog een keer proberen.”

Een paar weken geleden is de rechter, samen met de verdachte, de officieren van justitie en de advocaten, naar het huis gegaan om ter plekke poolshoogte te nemen. Een kort uitstapje, want het uitgebrande complex ligt slechts een paar honderd meter van het gerechtsgebouw verwijderd. En het ziet er nog steeds zo uit als de dag na de brand: geblakerde muren, kapotte ruiten, op de grond bij de ingangsdeur een halfverbrand matras, met daarnaast een verteerd vrouwenlaarsje. Een luguber gezicht. Het bezoek heeft geen nieuwe gezichtspunten opgeleverd, de diverse partijen zagen hun eigen standpunt bevestigd. Volgens de officieren van justitie was duidelijk te zien dat het op de eerste verdieping het hevigst had gebrand (dus de brand moet van binnenuit aangestoken zijn), volgens de advocaten was juist het houten voorportaal op de begane grond het zwartst geblakerd (dus de brand is van buitenaf aangestoken).

Bij verhoren van jeugdige getuigen (de verdediging en het openbaar ministerie mogen zich daar krachtens de wet niet mee bemoeien) is rechter Wilcken op z'n best. Hij stelt ze gerust, neemt de tijd en is dan nìet geërgerd als z'n vragen niet begrepen worden. Maar voor het overige maakt hij een ongeduldige indruk. Eind vorig jaar, toen de zittingen enkele weken werden opgeschort, constateerde hij dat de rechtszaak 'weinig opgeschoten' was. Hij zou nu, een kleine maand later, deze opmerking gerust kunnen herhalen. Het proces gaat nog maanden duren.

DE NEONAZI'S

Menig getuige heeft ze in de nacht van de brand gezien in de buurt van het asielzoekerscentrum: de vier neonazi's uit Grevesmühlen, een stadje dertig kilometer ten oosten van Lübeck, in de voormalige DDR. Sterkste aanwijzing is een telefoontje van een asielzoekster uit het huis die in wanhoop de politie belde: “De nazi's vallen ons aan”. Korte tijd later kwam de vrouw in de vlammen om.

De politie arresteerde de volgende dag de vier jongelui (gemiddelde leeftijd even in de twintig) en dacht onmiddellijk: dit is kat in 't bakkie. Want drie van de vier hadden schroeiplekken in hun haren en/of wenkbrauwen. Maar het viertal had een ijzersterk alibi. Op het moment dat de brand uitbrak, stonden ze hun grijze Wartburg vol te tanken, kilometers verderop. De bemanning van een politie-auto had ze daar gezien. Einde verdenking, althans voor politie en justitie.

In de weken erna kwamen ze met de vreemdste verklaringen over de oorzaak van de schroeiplekken. Twee van de drie hadden een paar dagen voor de brand een geintje willen uithalen met een hond. Met behulp van een haarlak probeerden ze de huid en de haarvacht te verschroeien. Dat was aardig gelukt. Helaas hadden ze zelf ook een klap van de molen meegekregen. Toen de politie ze daarop wilde arresteren op beschuldiging van dierenmishandeling, trok één van de twee zijn verklaring schielijk in en kwam met een andere lezing op de proppen. Hij had thuis de oven open gedaan, en daar kwam zomaar een steekvlam uit. Uit onderzoek is gebleken dat dit een zeer onwaarschijnlijk verhaal is.

De derde jongen, bij wie brandplekken waren geconstateerd, vertelde dat hij benzine in de tank van z'n brommer had gedaan en toen met een aansteker had willen controleren of de tank vol was. Ook zo maar een steekvlam.

Over de kracht van hun alibi bestaat inmiddels twijfel. Misschien is de brand wel eerder ontstaan dan aanvankelijk werd gedacht. De vraag is of de vier alsnog vervolgd kunnen worden. Er is in de afgelopen twaalf maanden veel bewijsmateriaal verloren gegaan. Onderzoek naar de betrokkenheid van de neonazi's is nauwelijks verricht, omdat justitie vrijwel van meet af aan het spoor van Safwan Eid heeft gevolgd.

HET LüBECKS VERBOND TEGEN RACISME

Elke zitting zit er een vertegenwoordiger van het 'Lübecks verbond tegen racisme' op de publieke tribune. Hij of zij houdt de gang van zaken nauwkeurig bij, en stelt elke week een bulletin op ('Prozessinfo') dat de buitenwereld duidelijk moet maken wat voor absurd proces in de hanzestad gevoerd wordt. Het comité, door dik en dun gesteund door de twee advocaten, organiseert met de nodige regelmaat solidariteitsbijeenkomsten voor de verdachte uit Libanon.

“Dit is absoluut de verkeerde verdachte”, zegt de anti-racist terwijl hij een blik op de rechtbank houdt om maar niets te hoeven missen. “Er moest hoe dan ook een buitenlander in het verdachtenbankje. Want een Duitser die tien asielzoekers om zeep helpt, dat kan natuurlijk niet. Dit is een puur racistisch proces. Het zou een schande zijn als Safwan veroordeeld wordt. Er is geen spoor van bewijs tegen die jongen. Ze moeten die neonazi's uit Grevesmühlen voor de rechtbank slepen.”

Dat is één van de vier eisen die het verbond stelt. De andere drie zijn al even kort en duidelijk: “Stop met dit racistisch onderzoek; vrijspraak voor Safwan; verblijfrecht voor alle vluchtelingen in Duitsland”.

Het steuncomité schuwt de demagogie niet. In één van de bulletins staat een waarschuwingsbord afgebeeld, vlak bij een hoge muur die sterke gelijkenissen vertoont met de voormalige Berlijnse Muur. “Pas op! Gevaar! Asiel verboden! Hier dreigen brandaanslagen waarvoor de slachtoffers aangeklaagd zullen worden.” Was getekend: het openbaar ministerie in Lübeck.

mailIcon print |