*

 
dossier

Archief

Arie van der Zwan: PvdA als anti-liberalen

MARCEL TEN HOOVEN − 31/01/97, 00:00

AMSTERDAM - Een hoogleraar aan het instituut Nijenrode waarschuwt de PvdA voor de verlokkingen van het neoliberalisme en adviseert de sociaal-democraten hun traditionele weerzin tegen het kapitalisme te koesteren.

De econoom prof. dr. Arie van der Zwan, oud-Vendextopman, was gisteren in de Amsterdamse schuilkerk De Rode Hoed verantwoordelijk voor dat ongerijmde tafereel, op een conferentie van het wetenschappelijk bureau van de PvdA over sociaal-democratische beginselen.

Van der Zwan deed opnieuw recht aan zijn imago van tegendraads denker. Waar de PvdA zich onder invloed van de sociaal-liberale stroming nog bezint op de heilzame effecten van de vrije markt, ziet Van der Zwan juist perspectief in een krachtig verzet tegen het marktdenken. Volgens hem verstaat de PvdA de tekenen van de tijd pas echt als zij zich opwerpt als de tegenbeweging van het neo-liberalisme.

Van der Zwan signaleerde in zijn rede dat internationale organisaties die tot voor kort de vrije markt propageerden, nu tot inkeer zijn gekomen, de Oeso voorop. “Na de westerse wereld vijftien jaar lang onder druk te hebben gezet met bewijzen dat marktwerking de oplossing vormt van het werkloosheidsvraagstuk, gooit de Oeso thans de handdoek in de ring”, aldus Van der Zwan. Hij wees erop dat deze organisatie van westerse industriestaten in haar laatste jaarrapport erkent dat meer marktwerking op de arbeidsmarkt, noch verlaging van het minimumloon of vergroting van de inkomensverschillen een panacee voor de werkloosheid blijkt te zijn. Ook VN-organisaties als de ILO en Unctad zijn volgens hem tot inkeer gekomen.

Volgens Van der Zwan duidt deze ontwikkeling op een toenemend, onbehagen over het kapitalisme. Ook in de VS, de bakermat van de vrije-markteconomie, waarschuwt een liberale cultuurcriticus als Daniel Bell voor het gevaar dat het “ontketende kapitalisme” voor de stabiliteit in de maatschappij oplevert. In de managementliteratuur vindt volgens Van der Zwan een herwaardering van stabiliteit als economische kracht plaats, ten koste van flexibiliteit en het aandeelhoudersbelang.

Volgens Van der Zwan kan de PvdA met haar traditie van anti-kapitalisme van deze omslag profiteren, mits zij alsnog afstand neemt van het neoliberalisme. “Het grote risico bestaat dat de PvdA nog steeds bezig is de positieve kanten van marktwerking te ontdekken, op het moment dat andere politieke partijen de omslag al hebben gemaakt. De partij zal als zij deze omslag mist ook alle volgende omslagen missen.” Tekenend voor dat gevaar vindt Van der Zwan de positieve reactie van de PvdA op het kabinetsvoorstel dat voor sommige werknemers betaling onder het minimumloon mogelijk maakt. “Het midden- en kleinbedrijf is verder gevorderd dan de PvdA, als het zegt dat een voorstel van een zo hoog ideologisch gehalte van tafel moet.”

Van der Zwan beklemtoonde dat zijn woorden niet mogen worden opgevat als een pleidooi voor een terugkeer naar de PvdA die zich alleen met uitkeringstrekkers vereenzelvigt. Hij kon zich vinden in de woorden van senator Thijs Wöltgens, een van de voorvechters van een nieuw PvdA-beginselprogramma, volgens wie de partij ooit voor elk 'benadeeld musje' een aparte paragraaf reserveerde. Van der Zwan: “Ik wijs een overheid af die zich omvormt tot uitkeringsmachine en bezemwagen. In een socialistische maatschappij is de mens niet zielig, maar waardig en vol vertrouwen op eigen kracht. De sociaal-democratie moet daartoe de voorwaarden scheppen, wat overigens niet wil zeggen dat de hoogte van de uitkeringen niet fatsoenlijk dient te wezen.”

Hij kwam tot de conclusie dat als de sociaal-democratie het kapitalisme wil inkapselen, zij moet streven naar een versterking van staat en maatschappelijk middenveld. Dat houdt zowel ten aanzien van de staat als van de maatschappelijke organisaties een koerswending van de PvdA in.

Van der Zwan pleitte in de eerste plaats voor een herwaardering van de nationale staat, als belangrijkste waarborg voor het behoud van een nationale identiteit. Daarom is hij voorstander van terughoudendheid in de overdracht van bevoegdheden aan Europa. Voor het behoud van nationale identiteit is het volgens hem geboden dat de staat het vermogen houdt grenzen te trekken, belasting te heffen en een eigen munt te voeren.

Hij bestreed dat Nederland zich met zo'n opstelling in egocentrisme zou afwenden van de rest van de wereld. Integendeel, een besef van nationale identiteit is volgens hem wezenlijk voor een open houding naar de buitenwereld. “Het is hetzelfde als met kinderen die in hun vroege jeugd een sterke binding met hun ouders hebben opgebouwd. Je ziet dat juist zij later tot zelfstandige en mondige individuen uitgroeien. Een sterk ontwikkeld gevoel van eigen identiteit is een belangrijke voorwaarde om niet egocentrisch te zijn. Dat is voor een staat niet anders dan voor kinderen. Mondigheid is een illusie als er geen gevoel voor richting is.”

De sociaal-democratie zal ook de rol van het maatschappelijk middenveld moeten herwaarderen, wil zij zich als tegenbeweging van het ongeremde kapitalisme ontpoppen. Het is volgens Van der Zwan een illusie dat de politiek in de sturing van de maatschappij aan kracht wint, als zij de rol van de maatschappelijke organisaties terugdringt. Tot dusver heeft dat proces slechts de economische krachten tot voordeel gestrekt, meent hij. “De lering die getrokken kan worden uit de ontmanteling van het maatschappelijk middenveld is dat de democratie er geen garen bij spint en de maatschappij een speelbal wordt van puur kapitalistische krachten.”

mailIcon print |