*

 
dossier

Archief

TAALKUNDE

HANS DETERMEYER − 13/09/95, 00:00

Het advies van een dominee uit Assen om vooral stevig te vloeken om zaken die niet door de beugel kunnen, werd hem in mei niet in dank afgenomen. Vloeken hoort niet, we vinden het primitief gedrag. Toch doen we het vrijwel allemaal als we maar hard genoeg met een hamer op de duim timmeren. De resulterende explosieve spraak kan gepaard gaan met een grote virtuositeit in ritmiek en klankkleur. En dat wijst erop dat dit geëmotioneerde taalvermogen inderdaad primitief is: van heel vroeger.

Met het werk van taalkundigen als De Saussure, Bloomfield, Chomsky en anderen is heel wat structuur in het denken over taal gebracht. Dat was hard nodig teneinde met enig succes zoiets ingewikkelds te kunnen beschrijven. Om niet meteen vast te lopen in alle complexiteit moest er echter wel snoeiwerk aan te pas komen: allerlei verschijnselen van menselijke communicatie werden naar de marge verwezen. Een beetje pesterig zouden we kunnen stellen dat de gemiddelde taalwetenschapper lange tijd vooral die taal bestudeerde die de mens bezigt als hij in het zweet des aanschijns een sollicitatiebrief zit te schrijven: grammaticaal en qua stijl correct, liefst niet al te ingewikkeld, lekker lopend en natuurlijk zonder vloeken.

In de praktijk blijkt dat model toch niet zo goed te voldoen. De door taalkundigen gevonden systematiek zit er wel in, daar onder de kruin, maar als het er uitkomt blijkt het altijd weer complexer te zijn. Half afgemaakte zinnen worden op elkaar gestapeld, bijzinnen transformeren zich halverwege weer tot een hoofdzin om vervolgens met een rare wending toch nog steeds de aandacht van de toehoorder vast te houden. Tot overmaat van ramp blijken allerlei tussenwerpsels en met gebaren gepaard gaande nonsens buiten alle woordenboeken om ook betekenis over te kunnen zenden. De communicatie tussen mensen is werkelijk zeer virtuoos.

Als nu een moment van hoge emotionaliteit voorvalt, dan lopen de onderdelen elkaar als het ware voor de voeten. In het gunstigste geval leidt dat tot versprekingen en het struikelen over de woorden. Maar als de spraak van de geëmotioneerde maar voldoende spaak loopt dan kan er na een korte, geladen stilte een explosie van klanken volgen: vloeken, schelden en tieren. De geëmotioneerde lijkt zich dan te begeven in een taalgebied dat zich onderscheidt van 'gewone' taal in (non)grammaticaliteit, klankkwaliteit en betekenisassociatie; een gebied ook waar een intensere relatie lijkt te bestaan tussen verbaal gedrag en de non-verbale vormen van communicatie: houding, gebaar en mimiek.

Als de neurocircuits dusdanig warm lopen, gepaard gaande met veranderingen in hartritme, bloeddruk, ademhaling en wat al niet, ja, dan wordt de opgewondene pas waarlijk creatief met taal. De mooiste alliteraties, een heerlijk ritme, een fraai samengaan van gebaar, mimiek en klank: het komt in de buurt van een potig soort poëzie. Als het even wil, volgt van de zijde van de toehoorder een weerwoord dat er ook niet om liegt.

Uitgelezen voer voor wetenschappelijk onderzoekers zou je denken. Maar welke gek wil een reputatie opbouwen als deskundige in het vloeken, tieren en schelden? Bovendien is het ook erg lastig om een goede onderzoeksopstelling te creëren. De toepassing van nieuwe technieken om hersenactiviteit waar te nemen, ook heel plaatselijk, heeft de laatste decennia het hersen- en spraakonderzoek weliswaar verfijnd, maar het blijft een probleem om een proefkonijn sapiens onder de hersenscanner doodstil zonder enige beweging stevig aan het vloeken of schelden te krijgen. De ethiek van de wetenschap legt hier enige beperkingen op.

Vloeken zijn ook een crime voor de schrijvers van woordenboeken. Ze zijn veelal eindeloos te variëren, zowel in samenstelling als klank, al naar de overdosis aan emotie vereist: de basisvloek godverdomme is in diverse klinkeruitvoeringen te horen, en hetzelfde geldt voor gadver, voor gedverdegedver, voor gotsiedorie, voor gossie, voor achgat en voor gutgut. Er zijn geen andere woordgroepen die zoveel klank- en vormvariatie toelaten. En dan hebben we het nog niet eens over de intonatie. Vloeken is wat melodie en ritme betreft onovertroffen in extremiteit.

Wat opvalt is dat bepaalde klanken of bepaalde klankcombinaties favoriet zijn. Een vloek of scheldwoord moet 'lekker bekken' om als krachtterm in de spreektaal opgenomen te worden. Spraakklanken zoals gebezigd bij stevig vloeken dienen goed aan te sluiten bij de verhoogde fysiologische activiteit van de spreker, om adequaat 'stoom af te blazen'.

Dat vloeken een apart onderdeel van het spraakvermogen uitmaakt, blijkt ook uit de taalpathologie. Er zijn uitzonderlijke gevallen bekend waarbij mensen na een beroerte de beschikking over het totale taalvermogen kwijtraakten, uitgezonderd het sterk emotieve deel: vloeken, tieren en schelden bleek nog te kunnen. Blijkbaar zit in de hersenen een apart neurocircuit om dit emotieve taalvermogen te hanteren. Een ander voorbeeld is het syndroom van Gilles de la Tourette, waarbij 'normale' spraak onder andere verstoord wordt door het onwillekeurig uiten van krachttermen en andere taal uit de taboesfeer. Dat lijkt te wijzen op een soort kortsluiting tussen de neurocircuits van het gewone en van het emotief sterk geladen deel van het taalvermogen.

Uit het onderzoek naar talen van de meer afgelegen delen van de wereld blijkt, dat er nog een andere 'rebelse' categorie woorden bestaat, woorden die zich niet geheel aan de regels van de grammatica en het klanksysteem van de taal houden en bovendien een grote mate van vormvrijheid vertonen.

Die woorden worden vooral waargenomen bij talen die niet op schrift gesteld zijn, of althans bij groepen sprekers die niet geletterd zijn. Met andere woorden: de conventies van geschreven taal hebben nog niet hun egaliserende invloed gekregen op de spreektaal. Door onderzoekers van Afrikaanse talen worden die woorden ideofonen genoemd, beeldklanken.

De ideofoon is een soort bijwoord of tussenwerpsel, dat een directe relatie vertoont tussen klank en betekenis. Het is geen onomatopee - een woord als hoesten, dat een geluid imiteert om iets aan te duiden: bij ideofonen gaat het meestal om de beschrijving van sterke zintuiglijke gewaarwordingen, en alle zintuigen komen aan bod. De ideofoon kan op een korte en kernachtige wijze puur door middel van de klank en de vorm bijvoorbeeld een doordringende geur omschrijven, of de viezige plakkerigheid van te nat brooddeeg, een felle kleur, of de waggelende gang van een beschonkene.

In het Nederlands wordt een dergelijk extreme gewaarwording veelal uitgedrukt door een woordcombinatie (bloedrood, spierwit) of door een omschrijving (zo rood als een biet). In sterk ideofonische talen wordt aan een zin of een woord een klankcombinatie toegevoegd die de extreme sensatie in haar context weergeeft.

Een paar voorbeelden: in de Ghanese taal Tswi is het woord voor donker sum; een van de woorden voor pikdonker is tumm. Variatie is mogelijk om nuances aan te geven: tummmm, tuntum, tuntuuntu(m), tumtumtum(tum), etcetera. De gang van iemand die niet al te vast (meer) op de benen staat of doelloos in de rondte loopt kan omschreven worden met gyaa, gyabagyaba, gyigya, gyigyagyigya, gyinggyang, nyingnyang, twintwangtwintwang, etcetera, waarbij een wisselende toonhoogte het effect nog kan versterken. Figuurlijk kan een variatie op deze klankcombinatie gebruikt worden voor het beschrijven van iemand wiens ogen rusteloos rondkijken, voor een ruziezoeker en voor iemand die nonsens uitslaat.

Het fenomeen is enigszins vergelijkbaar met bijvoorbeeld de serie jezus, sjezus, jesses, jasses, jee, jeminee, tjee, jeetje, tjeetje, tjezus, tju, enzovoort, waarmee allerlei nuances van verbazing of afkeer uitgedrukt kunnen worden.

Bij ideofonie zijn ritme, klank en vorm betekenisbepalend; door middel van kleine variaties daarin kunnen fijne nuances uitgedrukt worden. Omwille van die nuancerende en expressieve kwaliteiten komen ideofonen veel voor in het dagelijkse spraakgebruik, maar meer nog bij de voordracht van verhalen, in poëzie en liederen en in kinderrijmpjes.

De ideofoon heeft dus een wat ander publiek dan de vloek, maar heeft ermee gemeen dat een hogere communicatieve kwantiteit en kwaliteit toegevoegd wordt aan de taaluiting. Een verhalenverteller die zijn verhalen doorspekt met ideofonen vindt grote waardering bij de toehoorders. Het publiek ervaart een grotere betrokkenheid bij de actie van het verhaal, alsof de ideofonen de klanken van beelden en geur voorzien.

De overeenkomsten tussen ideofonen en vloeken doen het bestaan vermoeden van een communicatief systeem dat vanuit een ander, mogelijk ouder deel van de hersenen aangestuurd wordt. Heftig speculerend kunnen we daarbij gaan fantaseren over de primitieve oertaal, het produkt van extreme gevoelens, emoties en oerkreten.

Heftig speculeren doet de wetenschapper officieel echter niet, dat is tegen de regels, en iedere linguïst die het sinds de vorige eeuw nog durft te hebben over het ontstaan van menselijke taal kan beter elders werk gaan zoeken. Maar bij de huidige zeer snelle ontwikkelingen van het hersenonderzoek is dat laatste wellicht een achterhaalde situatie.

Eind vorige eeuw werd door de neuroloog Duchenne onderzoek gedaan naar de relatie tussen mimiek en emotie. Recent neurologisch onderzoek van de Amerikanen Ekman en Davidson, en van Robert Zajonic heeft zijn bevindingen bevestigd en aangetoond dat de relatie tussen het gelaat met haar talloze spiertjes, de spraakklanken die mede door dit spierencomplex gevormd worden en emoties tot op zekere hoogte in twee richtingen werkt.

Grofweg komt dat op het volgende neer: normaliter ontstaat door een (sterke) emotie onwillekeurig een specifieke gelaatsuitdrukking, gepaard gaande met het uiten van een klank(combinatie) die inherent is aan die emotie; andersom blijkt het uiten van een bepaalde klank(combinatie) met de bijbehorende mimiek ook een specifieke emotie op te kunnen roepen. Bij acteurs staat dat trouwens al meer dan een halve eeuw bekend als de Stanislavski-techniek.

Die omkeerbare relatie kan een cruciaal gegeven zijn in het ontstaan van menselijke taal. Als een onwillekeurige relatie emotie-klank zich ontwikkelt tot een doelbewuste relatie klank-emotie, opent zich als het ware een communicatiekanaal. In de loop van de geschiedenis zijn meer kanalen dat eerste gevolgd, naarmate de kreten van de aap zich verfijnden tot de klank-arbitraire abstractie van de sapiens woordenschat.

Dat we die voormenselijke kreten nog steeds kunnen voortbrengen blijkt onder andere uit angstgegil en uitroepen van pijn, maar ook uit groepsgedrag na een hoge alcoholconsumptie. Het lijkt erop, dat we ook nog altijd toegang hebben tot de stadia die na die kreten kwamen en voor de taal.

mailIcon print |