Natuurijs. Het is een begrip dat wij, Nederlanders, kennen. Ik heb het wel eens moeten vertalen voor een Amerikaanse collega. Dat ging niet. Ice is ice. Neen, riep ik dan, je hebt natuurijs en kunstijs. Als mijn compaan dan nog vreemd keek, moest ik verder gaan in mijn uitleg; je hebt de Ruitenbergjes en je hebt Stam en Huitema. Je hebt Jan Bakker en de Van Benthems en je hebt zo'n heel leger van ovaalrijders. Mijn Amerikaanse vriend snapte het dan wel. Hoewel?
Wij Hollanders zijn toch een volk van natuurijs. Waar de wedstrijd op het kunstijs van Heerenveen wordt afgelast, zwieren de echte mannen op dezelfde dag over sloten en vaarten, leggen ze de armen soepel op de rug en rossen ze over de Beulaker heen of het niets is.
Ik heb nu enkele van die behoorlijk grote tochten op de tv gezien en mijn hart staat weer helemaal open. Gek, want dat geklungel op die kunstbanen, dat verrotte ploegenspel, waar de ene sprinter gedekt wordt door ploeggenoten en dus niet hoeft te rijden, verveelt me al jaren. Pas als de meren dicht komen te liggen en je links over rechts pootje over moet, pas als er brede scheuren in het ijs zitten en pas als twee Ruitenbergs en twee Benthems voorin het peloton te vinden zijn, dan pas wordt het voor mij ernst. Dat zijn de echte schaatswedstrijden, dan gaan de ware kerels rijden en is het afgelopen met de 400-meter, linksomdraaiende schaatsers. Als weer en wind gaan spelen, als de naam Jan-Eise Kromkamp valt, als Henk Portengen bij de veteranen aan de start komt, dan klopt mijn hart oud-Hollandsch gezond voor deze magnifieke sport.
Ik herinner mij een fantastisch verhaal van Henk Gemser (een man die vanuit zijn tuin op het natuurijs in Friesland stapt) uit 1989. Gemser probeerde in die dagen de zwabbervoet van Gerard Kemkers weer in de pas te krijgen en reed iedere avond in de late uren met de jonge ongelukkige op het kunstijs van Heerenveen. Er komt een moment dat zowel Gemser als Kemkers inzien dat er geen verbetering inzit en heel voorzichtig denkt Gemser aan opgeven. De twee verlaten de baan, staan nog wat na te praten, kijken naar de heldere lucht en voelen de prikkelende vrieskou.
Gemser vraagt Kemkers de volgende dag bij hem thuis langs te komen. Daar drinken ze koffie, praten wat en kunnen zo het ijs opstappen. Gemser vertelt dit verhaal nog altijd met verbazing. Want de volgende ochtend zal Kemkers voorzichtig en een tikje gegeneerd zeggen dat hij nog nooit op natuurijs gereden heeft.
Gemser weet niet wat hij hoort en neemt de voormalige kampioen op sleeptouw over het mooie blauwe ijs van Friesland. Langs bosschages, langs vervaarlijke scheuren, links-over-pootje-over. . . Nog altijd vindt Gemser dat een beetje schaatser eerst natuurijs onder de ijzers moet hebben gevoeld. De snijdende kou, de wind, het feit dat je schaatsen snel bot worden. . . Ho, was dat niet heerlijk bij dat nationaal kampioenschap! Al die kunstijsrijders die achter moesten blijven en afstapten. Reden? Botte schaatsen en afzetten lukte niet meer. Geen grip meer op het ijs en dus. . .?
De echte mannen joegen voort. Ook zij hadden het koud, ook zij knokten zich over het ijs heen, maar zij gingen door. Botte schaatsen of niet, afzet of niet. En het was (er bestaat nog gerechtigheid) de Yep aller Yeppen die won. Yep Kramer dus, die zichtbaar ontroerd was dat hij de beste was, want hij won nu van kerels, van knoesten, van harde bonken die mét hem de 100 kilometer trotseerden. Eén Ruitenberg werd verslagen, maar lachte en feliciteerde de winnaar. Het was een warme gelukwens, gemeend, spontaan en met pijn in het lijf.
Het is te hopen dat we deze winter nog een paar van die wedstrijden mogen bekijken. Het doet de echte kerels uit onze sportwereld opstaan. Niets is aardiger dan die natuurbonken aan het werk te zien. Het is echt, stoer, sterk en het ontroert. Omdat het puur is. Sport in pure vorm wint altijd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.