*

 
dossier

Archief

DE LIJST

KOOS VAN WERINGH − 16/04/94, 00:00

Buitenlanders in Rusland die het land verlaten, na er enige tijd te hebben gewoond, worden de laatste tijd geconfronteerd met maatregelen die het karakter van een nachtmerrie dragen. Ik spreek uit eigen ervaring: mijn vrouw en ik verlaten Moskou, na een periode van bijna vier jaar, om ons in Keulen te vestigen.

Het verhuisbedrijf deelde ons mee, toen de stand van zaken werd opgenomen, dat de Russische douane-autoriteiten de regels hadden aangescherpt. Op grote schaal worden kostbare kunstvoorwerpen, zoals ikonen en zeldzame boeken, het land uitgesmokkeld. En om dat te verhinderen zijn nieuwe bepalingen opgesteld. Zo moet een lijst worden overgelegd van alle boeken die het land uitgaan. In het Russsisch uiteraard. De naam van de schrijver en de titel, jaar en plaats van uitgave, het aantal bladzijden, de prijs die ervoor betaald is. En een en ander ook nog naar thema, fictie en non-fictie. Die lijst, zo vervolgde de verhuisman met nadruk, moet worden voorgelegd aan een functionaris van de Moskouse Staatsbibliotheek (voorheen Lenin-bibliotheek), waar dan bekeken wordt of er wel of niet kostbare boeken op voorkomen. En dan moet voor elk boek bovendien dertig roebel worden betaald. De verhuisman deelde ook nog mee, dat schilderijen e.d. geregistreerd dienen te worden en aan de autoriteiten voorgelegd. Toen hij mijn spinet zag staan vroeg hij: “Hebt u daar nog een rekening van? ”

De mededeling van de verhuisman geloofde ik eerst niet. Alleen al de gedachte dat wij onze duizenden boeken op een lijst zouden moeten zetten deed mijn woede tot een ongekende hoogte stijgen. Dat is een arbeid van maanden. Kan ik daarvoor bij de Russische staat een onkostenvergoeding indienen? Dat vroeg ik aan de verhuisman, maar hij lachte slechts en vertelde dat een andere klant van hem braaf al zijn boeken op een lijst had gezet. Maar die aantallen liepen in de honderden en de man had het karwei in enkele dagen geklaard. De verhuisman meende dat wij wellicht een paar studenten zouden kunnen huren om die lijst te vervaardigen.

Een dag later kwam de man terug met een fotoapparaat en begon alles wat aan de muur hangt op te nemen. Een tekening van Albert Hahn, die ik ooit van twee van zijn dochters kreeg toen mijn boek over hun vader gereed was - een tekening uit 1916 - werd gefotografeerd, evenals de Chassidische legenden van de Groningse drukker Werkman, waarvan ik een exemplaar uit 1967 bezit. En ook enkele Russische schilderijen die mijn vrouw gekocht had, plus nog twee geschonken, werden op de plaat gezet, waarna de foto's aan de douane getoond werden. Die was daarmee niet tevreden, want de Russische schilderijen moesten, 'in levende lijve', bij wijze van spreken, worden gedemonstreerd. De verhuisman belastte zich daarmee. Hij pakte ze goed in en bracht ze weg. De autoriteiten zagen er uiteindelijk geen kostbaar Russisch cultuurgoed in, want ze stempelden een papier dat ze mee mochten.

Bij het spinet, dat ik in 1962 in Groningen gekocht heb, werd de volgende redenering gevolgd. Dat instrument kan door een Rus gekocht zijn (het is een Duits fabrikaat), die het nu, uit economische noodzaak, aan 'een rijke Westerling' moet verkopen. Als een Rus dat gekocht heeft hoort het in Rusland. Maar ik bewaar toch geen rekening uit 1962, meer dan dertig jaar geleden? Dat is toch absurd? Ik zei tegen de verhuisman dat ik hem een lijst kon geven van mensen die het instrument in Munchen en Amsterdam hebben zien staan, voor dat wij naar Moskou verhuisden. In die trant heeft hij de douane voorgelicht, waarna ook deze zenuwslopende toestand geregeld was. Want het was werkelijk zo, dat ik 's nachts nauwelijks nog kon slapen, uit ergernis, uit woede, ook uit onmacht. Tientallen jaren word ik vergezeld door boeken, tekeningen, een instrument en nu moet ik ineens bewijzen dat dit alles niet uit Rusland afkomstig is. Ik bezit inderdaad enkele kostbare Russische boekwerken, maar die bezat ik dertig jaar geleden ook al, gekocht in Londen en zelfs bij Pegasus in de Amsterdamse Leidsestraat. De gedachte dat die mij zouden kunnen worden afgepakt deed mij een keer dromen van een razzia in de oorlog, in mijn ouderlijk huis. Wildvreemden bemoeien zich met mijn spullen en kunnen die, in naam van de Russische staat, confiskeren. Met mijn humeur was het zeer slecht gesteld in de dagen voor het inpakken. Met de boeken is het tenslotte in orde gekomen. Een belangrijke Russische functionaris die ons enkele keren thuis had bezocht heeft verklaard dat wij geen zeldzame Russische boekwerken het land uitvoeren en dat wij met al die boeken in 1990 zijn aangekomen. Een voorstel van onze kant dat de douane iemand zou langssturen aan wie wij zouden laten zien wat wij aan Russische boeken gekregen en gekocht hebben in de tijd dat wij in Moskou woonden, werd niet gehonoreerd.

De laatste dag dat ik in Moskou was werd mijn vrouw en mij een afscheidsreceptie aangeboden door de Duitse ambassadeur, Otto von Gablenz, voorheen in Israel en Nederland. Op die dag was ik ook nog jarig en ik kreeg van Grigory Jawlinsky, de man die ooit het 'vijfhonderd dagenplan' voor Gorbatsjow opstelde, een schilderij aangeboden, omdat ik voor zijn studiecentrum een aantal zaken had uitgezocht op het gebied van de criminologische organisaties in West-Europa. Hij verzekerde mij - het schilderij kon nergens meer geregistreerd worden - dat hij in geval van moeilijkheden er persoonlijk voor zorg zou dragen dat het schilderij Rusland kan verlaten. Ik begrijp echter de angst van de Russen dat het land leeggeplunderd wordt, daar zal ik nog van verhalen.

mailIcon print |