*

 
dossier

Archief

Gevarieerd spel van Nederland brengt tegenstanders in verwarring

JOHAN WOLDENDORP − 09/09/95, 00:00

PIRAEUS - De angst van Joop Alberda was ongegrond. Vooraf vreesde de coach van het Nederlandse mannenvolleybalteam een moeilijke ouverture van het Europees kampioenschap. Klein-Joegoslavië zou in zijn optiek fanatiek voor volk en vaderland strijden. Hoe navrant was de werkelijkheid. Als schuchtere schoothondjes sjokten de Serviërs en Montenegrijnen met de ziel onder hun arm over het speelveld. De naam en faam van de tegenstander was imponerend genoeg om de wedstrijd al bij voorbaat uit handen te geven: 3-0.

Na afloop van de 'veegpartij' bedankte bondscoach Zoran Gajic zijn collega Alberda omstandig voor de geweldig fijne volleyballes die Oranje zijn manschappen had gedoceerd. “Nederland was erg goed. De service, de variaties in het aanvalsspel en het blok; we hadden er geen weerwoord op.” In één volzin gaf Gajic daarmee de slagkracht van het volleyballende Dutchbat aan. Het zeer aanvallend ingestelde basisteam nieuwe stijl (Held, Görtzen, Zwerver, Van der Goor, Van der Meulen en Blangé) kende door concentratieverlies alleen in de derde set enkele probleempjes. Toen egaliseerden de Joegoslaven een 9-4 achterstand en moest de fenomenale sprongservice van Olof van der Meulen er aan te pas komen om de tegenstander in drie sets te elimineren.

Van der Meulen was niet alleen om de voorgeschiedenis een van de opvallendste spelers van het nationale team. Na een aarzelend begin groeide hij in zijn rol van hardhitter en was vooral met zijn service een permanent gevaar voor de tegenstander. “Hij speelde het slim,” prees Alberda de Fries na afloop. “Niet te hard en niet te zacht. Olof begon op zeventig procent, maar in de tweede en derde set walste hij over de tegenstander heen.” Er waren meer uitblinkers aan Nederlandse zijde: Bas van der Goor maakte geen enkele fout, Peter Blangé leefde zich uit in zijn 'nieuwe' creatie van spelverdeler en Ron Zwerver speelde 'gewoon' goed. De enige dissonant heette Guido Görtzen. De Limburger wisselde te vaak goede momenten af met zwakke. De oorzaak moet voor een belangrijk deel worden gezocht in de combinatie van weinig internationale ervaring en de transferperikelen die hem de afgelopen zomer nogal bezighielden. Het aantal interlands dat hij achter zijn naam heeft staan (71), steekt schril af tegen de routine die de vijf anderen over de grens hebben opgebouwd. Hun totaalscore staat op 1348, met Zwerver als uitschieter naar boven (414). Op de oefentrip naar de Verenigde Staten en Canada had Görtzen zijn hoofd soms meer bij de aanstaande overgang van Capelle naar het Italiaanse Montechiari, waar hij de plaats van de ook uit de Oranjeselectie gevallen Ronald Zoodsma inneemt.

Fataal was het niet een wat zwakkere schakel in de ploeg te hebben. In de relatief gemakkelijke poule zal Nederland er zeker geen wedstrijden door verliezen, ook al valt na de eerste speeldag moeilijk in schatten wat nu de sterkste ploeg achter de equipe van Alberda is. De Balkan-derby Griekenland-Klein Joegoslavië (vandaag) is wat dat aangaat een goede graadmeter. De roem snelde de ploeg van Gajic immers vooruit. De oorlog in Bosnië en de - deels opgeheven - sportboycot hebben het team niet echt dwars gezeten. Van het basiszestal dat via de setstanden 5-15, 2-15 en 9-15 kansloos was tegen Nederland, verdienen vier spelers hun brood in Italië en twee in Griekenland. Wisselspeler Andrija Geric vertelt dat de voorbereiding op het EK normaal verliep. De ploeg verbleef twee maanden in een trainingskamp en speelde in die periode met wisselend succes in totaal elf oefenwedstrijden tegen Bulgarije, Roemenië, Rusland en Griekenland. Van Rusland werd een keer met 3-0 gewonnen. “Het enige dat ons op een achterstand heeft geworpen, is de internationale sportboycot waardoor onze clubs niet in de Europa Cup konden spelen,” zegt de 18-jarige Geric, uitkomend voor Vojvodina Novi Sad. Doordat de Europese federatie CEV bij het opstellen van het kwalificatieschema voor het EK over het hoofd zag dat het oude Joegoslavië al was opgeheven, kon de tot Servië gedecimeerde 'nationale' selectie onbekommerd naar 'Griekenland' toewerken.

Geric laat weten dat de etnische oorlog in geen geval de ploeg verscheurt: “We praten niet veel over politiek, we praten veel meer over volleybal. Het maakt voor ons niet uit of er nu Serviërs, Kroaten of moslims in het team zitten.” Dat de nationale eer niet zichtbaar op het spel stond, daarvoor had Geric dezelfde simpele verklaring als zijn coach Gajic: “Nederland was nog sterker dan we hadden gedacht.” “Onze aanblik en uitstraling heeft ons er doorheen gehaald,” klopte Alberda zich in aansluiting daarop op de borst.

Belangrijk in zijn nieuwe concept is vooral Peter Blangé, die de ballen vroeger nogal eenzijdig naar Ron Zwerver dirigeerde, maar de passes nu alle kanten op kan sturen. Daarnaast bieden de aangepaste spelregels hem de mogelijkheid zich uit te leven in “het betere gooi- en smijtwerk”, zoals hij dat typeert. Zowel door de grotere variatie in het aanvalsspel als het afwisselen van de sprongservice met de normale opslag, weet de tegenstander vaak niet hoe hij zich moet instellen op het Nederlandse bombardement. In tegenstelling tot vroeger volgen veel attaques de weg door het midden.

Het nieuwe systeem draagt ook risico's met zich mee, vooral in verdedigend opzicht. Blangé vindt dat allesbehalve een probleem. “We hebben snelle jongens achterin, en verdedigen is vooral een kwestie van doen. Bovendien, in het mannenvolleybal worden de wedstrijden beslist door de aanval.” Het verlies van Jan Posthuma en Ronald Zoodsma, waardoor Nederland blokkerend veel inleverde, wordt in de optiek van Blangé ruimschoots gecompenseerd doordat de middenaanvallers Van der Goor en Held een permanente dreiging voor de tegenstander zijn en de eerste tempobal (snel slaan na een pass van de spelverdeler) een hoog rendement oplevert. Alberda heeft, met name op de Amerikaanse trip, veel tijd in de blokverdediging geïnvesteerd. Hij plaatst Van de Goor blokkerend op hetzelfde hoge niveau als Posthuma en bespeurt progressie bij de specifieke uitvoering van dat onderdeel door Held.

Van Blangé wordt ogenschijnlijk veel meer geëist dan van de 30-jarige routinier met een wrakke voet mag worden verlangd. “Ik heb een balletdanserswreef,” zegt hij met verwijzing naar een kwaal die in die wereld kennelijk gemeengoed is. Zijn snelheid in handelen is fictie. “Dat lijkt alleen maar zo. Ik sta door mijn tactisch inzicht gewoon vaker op de goede plaats.” In Italië draaien spelverdelers van ver over de dertig nog mee in de top. In dat opzicht wacht Blangé nog een schone toekomst. “Nou nee, nog één jaar.”

mailIcon print |