*

 
dossier

Archief

IRT en recht

Door: redactie − 09/11/96, 00:00

De parlementaire enquêtecommissie-Van Traa kan op één punt gerust zijn: de meervoudige gezagscrisis die zij constateerde in het opsporings- en vervolgingsapparaat is onderkend en er zijn inmiddels de nodige maatregelen getroffen om orde op zaken te stellen. Dat is winst, zeker als men bedenkt hoe ernstig de ontsporing was en hoe ontwrichtend die kan uitpakken in de samenleving. Zie ook de crisis in het Belgische opsporingsapparaat, die zich over tientallen jaren heeft uitgestrekt.

Zoals dat gaat, zijn er ook knullige elementen in het saneringsproces geslopen. Zo bleken de ministers Sorgdrager van justitie en Dijkstal van binnenlandse zaken niet in staat de hoofdrolspelers in het IRT-drama persoonlijk op hun vestje te tikken. Pogingen hen in gebreke te stellen stuitten af op de ijzersterke rechtspositie van ambtenaren. Fantastische omtrekkende bewegingen waren nodig om de schijn van enig optreden hoog te houden. Soms bleek het zelfs nodig ambtenaren met de pet in de hand te vragen promotie elders in het land te vragen. Zo'n uitkomst is onbevredigend en zou ook niet nodig zijn geweest. Het is waar, ambtenaren hebben een sterke rechtspositie, maar dat laat onverlet dat de ministers hen persoonlijk en publiekelijk op hun tekortkomingen hadden kunnen wijzen. Nu dat niet is gebeurd wekken de bewindslieden de indruk de rechtspositie van ambtenaren juist te hebben aangegrepen om hun de hand boven het hoofd te houden.

Terecht heeft de Tweede Kamer deze week een hard oordeel uitgesproken over deze afwikkeling van het IRT-drama. Hoewel de VVD-fractie op één punt te ver doorschoot. Woordvoerder Korthals sprak openlijk zijn twijfel uit over het gezag van minister Sorgdrager.

Dat is zijn goed recht. Maar waar diezelfde Korthals weigerde consequenties te verbinden aan zijn standpunt, was zijn kritiek weinig geloofwaardig. In feite leverde hij zo een bijdrage aan het voortduren van de gezagscrisis.

mailIcon print |